De bepalingen in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:

  • - fraudevorderingen die zijn ontstaan als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht;
  • - vorderingen die gedekt worden door pand of hypotheek voor zover die vorderingen op die zaken verhaald kunnen worden;
  • - bijstand welke verstrekt is in de vorm van een lening;
  • - vorderingen die zijn ontstaan, omdat belanghebbende later met betrekking tot dezelfde periode over voldoende middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.