Naar hoofdinhoud
2.1 Hulpvraag van jeugdigen en/of ouders Wanneer jeugdigen of ouders behoefte hebben aan hulp, zorg of ondersteuning kunnen zij terecht op hen bekende plaatsen waar zij nu ook al hun vragen stellen terecht. Veel ouders en jeugdigen stellen hun vragen bij de huisarts of op de school, kinderdagverblijf of consultatiebureau. Maar hulpvragen kunnen ook binnenkomen bij welzijnswerk, jongerenwerk, vrijwilligers in de wijk, maatschappelijk werk en de thuiszorg. Ook het telefoonnummer van het CJG blijft beschikbaar voor informatie en advies. Alle jeugdprofessionals kunnen ouders en jeugdigen met een hulpvraag wijzen op de mogelijkheden. Soms blijkt na een korte vraagverkenning dat informatie en advies voldoende is voor belanghebbende om het ondervonden probleem op te lossen. De basisprofessionals die bij de voornoemde instanties en instellingen werken kunnen een aantal voorzieningen, waarvoor géén toegangsbesluit nodig is inzetten. Huisartsen kunnen ook individuele voorzieningen inzetten. Wanneer de problematiek meer complex is en verdere vraagverheldering of verdieping nodig blijkt of wanneer bij voorbaat al duidelijk is dat een individuele voorziening ingezet moet worden, wordt via de basisprofessionals één van de medewerkers van het Basisteam Jeugd en Gezin (verder: BJG) of Sociaal Team (ST) ingezet. Er is dan sprake van een formele melding van een hulpvraag. Waar verder in deze beleidsregel wordt gesproken over BJG of medewerker BJG, kan ook gelezen worden ST of medewerker ST. Op termijn zullen wellicht ook andere medewerkers van de gemeente in staat zijn om een melding van een hulpvraag in behandeling te nemen. 2.2 Melding van een hulpvraag en vooronderzoek (artikelen 4 en 5 Verordening) Ongeacht welke hulp- of dienstverlener de hulpvraag heeft behandeld, op het moment dat de hulpvraag leidt tot een melding neemt de medewerker van het BJG -team het over. De BJG medewerker neemt contact op met de jeugdige en/of de ouders en maakt met hen een afspraak voor het voeren van het gesprek. Voorafgaand aan het gesprek verzamelt het BJG, uiteraard met toestemming van de betrokkenen, gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn. De BJG-medewerker kan in overleg met de jeugdige en/of de ouders afzien van het voeren van het gesprek. Dat kan als er al voldoende informatie voorhanden is over de situatie en de problematiek en direct overgegaan kan worden tot het doen van een aanvraag en het nemen van een gemotiveerd besluit op die aanvraag. Uiteraard wordt er dan nog wél met de jeugdige en/of de ouders gesproken, maar er is dan geen sprake meer van een uitgebreid onderzoek. Bij dyslexie is sprake van en afwijkende procedure en doet de school in samenspraak met de jeugdigen en de ouders melding bij het Basisteam Jeugd en Gezin. De school kan de aanvraag voor dyslexiezorg zélf met de ouders en de jeugdige opstellen én een advies op basis van het protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling inzake het te nemen besluit opstellen. De gemeente neemt in de besluitvorming het advies van de school over. 2.3 Het gesprek en het verslag van het gesprek (artikelen 6 en 7 Verordening) Tijdens het gesprek doet de BJG-medewerker in samenspraak met de jeugdige en de ouders een onderzoek naar de situatie. Daarbij komen de in artikel 6 van de Verordening genoemde onderwerpen aan de orde. De betrokken jeugdigen en/of ouders kunnen zich bij het gesprek laten bijstaan door vertrouwenspersonen en mantelzorgers uit hun sociale omgeving. Het gesprek vindt bij voorkeur plaats in de thuissituatie van de jeugdige en/of zijn ouders (“aan de keukentafel”), maar wanneer dit niet mogelijk of niet gewenst is kan ook een andere locatie gekozen worden. Het, in overleg met en met toestemming van de ouders en/of de jeugdige, vragen van een medisch of ander advies bij de door de gemeente ingestelde expert-pool of bij een andere specialist kan onderdeel uitmaken van het onderzoek. Het gesprek vindt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na de melding van de hulpvraag plaats. De BJG medewerker zal samen met de jeugdige en/of zijn ouders verder uitzoeken welke voorziening het meest geschikt is gelet op de situatie en de omstandigheden. Ook gaat de BJG medewerker in het gesprek met de jeugdigen en/of zijn ouders de behoefte aan en de mogelijkheden voor de verstrekking van een PGB na. De BJG medewerker maakt samen met de jeugdige en/of zijn ouders een schriftelijk verslag van het gesprek en de in het kader daarvan verzamelde onderzoeksgegevens en verstrekt dit verslag aan de jeugdige en/of zijn ouders. Zij kunnen daar nog opmerkingen en aanvullingen bij maken, die aan het verslag kunnen worden toegevoegd. Het verslag van het gesprek noemen we het Plan van Aanpak van het BJG. In het Beleidsplan Jeugdzorg wordt gesproken over een ‘Klantplan’. Het familiegroepsplan wordt in de Jeugdwet gedefinieerd als een hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, dan wordt dit als eerste bij dat onderzoek betrokken. Het familiegroepsplan kan ook onderdeel zijn van wat in deze beleidsregel wordt benoemd als het Plan van Aanpak. De gemeente kan op basis daarvan een besluit nemen over de te verlenen hulp. Het kan zijn dat het nodig is om enige vorm van ondersteuning te bieden bij het opstellen van een familiegroepsplan om hier effectief uitvoering aan te geven. Het BJG stimuleert ondersteuning van de naaste omgeving bij het oplossen van de hulpvraag. Besluit: Het gesprek met (een medewerker van) het BJG vindt uiterlijk binnen twee weken na de melding van de hulpvraag plaats. 2.4 Aanvraag (artikel 8 Verordening) Als de jeugdige en/of de ouders het Plan van Aanpak ondertekenen en het verslag is voorzien van naam, burgerservicenummer (BSN), geboortedatum en een dagtekening, kan het verslag fungeren als aanvraagformulier voor een individuele voorziening; als dat (mede) de uitkomst is van het gesprek. Een aanvraag kan alleen door de gemeente in behandeling worden genomen wanneer een aanvraagformulier of gespreksverslag in de vorm van een plan van aanpak, voorzien van naam, BSN, geboortedatum en ondertekening door belanghebbende (of gemachtigde) bij de gemeente is ingeleverd. De datum waarop de aanvraag juist en volledig is, geldt als aanvraagdatum. Wanneer men kiest voor een PGB wordt tezamen met de aanvraag voor een individuele voorziening tevens een aanvraag voor de toekenning van een PGB gedaan. 2.5 De verleningsbeschikking (artikel 9 Verordening) De jeugdige en/of zijn ouders ontvangen de beslissing op de aanvraag binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag schriftelijk in een beschikking. Indien deze termijn overschreden lijkt te worden, zal op grond van de Awb de klant schriftelijk geïnformeerd worden over een verlenging van deze termijn met 8 weken. In de beschikking staat: de aanvraagdatum, de beslissing, de motivering van de beslissing, welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is, welke andere of overige voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn en informatie over de effectuering van het besluit. Tegen deze beslissing zijn bezwaar en beroep volgens de Awb mogelijk. De beschikking voor Zorg in Natura vermeldt niet de intensiteit en de omvang van de voorziening: dat bepalen de zorgaanbieder en de cliënt in overleg. De beschikking kent wel een maximale duur, namelijk 1 jaar, tenzij de aard van de voorziening zich hiertegen verzet of duidelijk is dat de aangevraagde hulp voor een langere periode noodzakelijk is. Zo is bijvoorbeeld een perspectief biedende vervangende woonplek bij een pleeggezin altijd voor een langere periode bedoeld. Als de termijn van 1 jaar verstreken is en er is nog voortzetting van de zorg gewenst, moet (tijdig, 8 weken voor het eindigen van de beschikking) een aanvraag voor een nieuwe verleningsbeschikking gedaan worden. De verleningsbeschikking moet binnen een half jaar verzilverd worden. Daarna vervalt de geldigheid van de beschikking en moet zo nodig een nieuwe aanvraag worden gedaan. Er is een verwijsdocument van het BJG nodig bij de inzet van flexibele jeugdhulp. Flexibele jeugdhulp is gespecialiseerde jeugdhulp waarvoor géén verleningsbeschikking noodzakelijk is. De gemeenten bepalen jaarlijks welke vormen van jeugdhulp hiervoor in aanmerking komen. Voor 2015 gaat het om ambulante jeugd- en opvoedhulp en generalistische basis GGZ. Een verwijsdocument is géén Awb besluit. Met een verwijsdocument kunnen jeugdigen en ouders de genoemde vormen van jeugdhulp verkrijgen bij de aanbieders waarbij de gemeente deze vormen van hulp heeft ingekocht. Besluit: De beslissing op de aanvraag wordt binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag genomen. Deze termijn kan met nogmaals maximaal 8 weken verlengd worden. Besluit: De duur van de verleningsbeschikking is maximaal 1 jaar, tenzij de aard van de voorziening zich hiertegen verzet. Besluit: De verleningsbeschikking moet binnen een half jaar verzilverd worden. Besluit: Voor de inzet van flexibele jeugdhulp is een verwijsdocument nodig. Ook het verwijsdocument moet binnen een half jaar verzilverd worden. 2.6 Toegang via de Huisarts Alle voorzieningen voor jeugdhulp zijn ook toegankelijk via verwijzing door een huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts van de GGD. Deze verwijzingen zijn geen beschikkingen in de zin van de AWB. Echter, wanneer ouders en jeugdigen dit wensen, is het mogelijk om de verwijzing via het BJG in een verleningsbeschikking vast te leggen. 2.7 Toegang via de Gecertificeerde instelling Alle voorzieningen voor jeugdhulp zijn ook toegankelijk via een verwijzing door een medewerker van een Gecertificeerde Instelling, in het kader van de uitvoering van een maatregel van jeugdbescherming of jeugdreclassering. Tegen een dergelijk besluit is, gelet op de juridische context, géén bezwaar of beroep mogelijk. 2.8 Overgangsrecht Jeugdigen en/of hun ouders die op 1 januari 2015 in het bezit zijn van een indicatie voor jeugdzorg , hebben recht op die jeugdzorg voor de duur van de indicatie, maar uiterlijk tot 1 januari 2016. Alleen voor pleegzorg geldt dat dit recht ook langer geldig kan blijven, dus ook tot ná 1 januari 2016 en in voorkomende gevallen totdat de jeugdige 18 jaar is. Wanneer indicaties gedurende 2015 aflopen en er is nog voortzetting van de hulp nodig, dan wordt de hiervoor vermelde toegangsprocedure gevolgd. Waar het gaat om PGB’s is het een verantwoordelijkheid van jeugdigen en hun ouders om uiterlijk twee maanden voordat de indicatie afloopt, contact op te nemen met het Basisteam Jeugd en Gezin om een afspraak te maken voor een gesprek om opnieuw de situatie te beoordelen. Waar het gaat om gebruikers van Zorg in Natura, zal de melding van de vraag om verlenging van de hulp via de zorgaanbieder bij de gemeente terecht moeten komen. Indicatieprocedures die op 1 januari 2015 nog lopend zijn bij Bureau Jeugdzorg, worden met ingang van 1 januari 2015 in de stand van de behandeling waarin zij zich bevinden overgenomen door het BJG en afgehandeld conform de bepalingen van de Jeugdwet. Indicatieprocedures die op 1 januari 2015 nog lopend zijn bij het CIZ worden binnen twee weken ná 1 januari 2015 in de stand van de behandeling waarin zij zich bevinden overgedragen naar het BJG en afgehandeld conform de bepalingen van de Jeugdwet. 2.9 Procedure in geval van crisis en onveiligheid Wanneer het BJG, ofwel door eigen waarneming, ofwel doordat men hierop opmerkzaam is gemaakt door derden, op de hoogte is van een crisis bij een jeugdige of in een gezin zal direct ingegrepen worden. Een crisis is een levensbedreigende situatie waarbij er acuut gevaar is voor de jeugdige en/of het gezin. Het BJG handelt in zo’n geval niet zélf, maar schakelt de daartoe bestemde instanties in. Deze instanties zijn bevoegd crisishulp in te zetten. Wanneer er geen sprake is van een crisis, maar er wél sprake is van een voor de jeugdige onveilige situatie gaat het BJG binnen 24 uur in gesprek met het gezin. Wanneer er een vermoeden is van kindermishandeling wordt dit vermoeden met het gezin besproken, tenzij dit niet mogelijk is gelet op veiligheidsaspecten. Het BJG kan het Advies en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling en/of de Raad voor de kinderbescherming bij de zaak betrekken. Ook in deze gevallen kan ervoor gekozen worden spoedhulp in te zetten. Wanneer crisis-of spoedhulp wordt ingezet kan dit op vrijwillige basis zónder formele verleningsbeschikking gedurende maximaal 4 weken. Gedurende die termijn zal het BJG alsnog met de jeugdigen en/of de ouders het Gesprek voeren en bezien of vervolg-hulp nodig is. Besluit: Crisis- of spoedhulp, ingezet door de daartoe door het College gemandateerde instantie(s) kan zónder formele verleningsbeschikking gedurende maximaal 4 weken ingezet worden. 2.10 Spoedhulp ingezet door de Raad voor de Kinderbescherming De Raad voor de Kinderbescherming kan het, hangende het onderzoek, noodzakelijk achten dat een kind (met spoed) in een gesloten accommodatie wordt geplaatst. In die gevallen heeft de Raad een machtiging van de rechter nodig. Die machtiging kan slechts worden afgegeven wanneer het BJG heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp met verblijf nodig is, een verleningsbeschikking dus. Gelet op de geboden haast, dient het BJG met spoed aan een dergelijk verzoek van de Raad te voldoen. Overigens kán het BJG besluiten géén verleningsbeschikking af te geven. Uiteraard luistert de motivatie dan nauw. In die gevallen kan de Raad dan overigens de rechter verzoeken (uiteraard ook gemotiveerd) ondanks die weigering van het BJG, de machtiging tóch af te geven. 2.11 Start van de jeugdhulp Met het verwijzingsbesluit of de verleningsbeschikking kunnen de jeugdige en/of zijn ouders zich aanmelden bij een zorgaanbieder welke is gecontracteerd door de gemeente. Dit is anders als gekozen wordt voor een PGB, zie daarvoor hoofdstuk5 van deze beleidsregel. De door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieders hebben een acceptatieplicht, zij mogen derhalve geen cliënten weigeren. Zij dienen binnen vier weken na de aanmelding te starten met de toegewezen hulp. Wanneer een zorgaanbieder in overleg met de jeugdigen, de ouders en eventueel hun verwijzers concludeert dat een andere zorgaanbieder beter of eerder de benodigde hulp kan bieden, zorgt de zorgaanbieder waarbij het eerste is aangemeld voor een warme overdracht naar die andere aanbieder. Indien er binnen vier weken door de oorspronkelijke Jeugdhulpaanbieder geen passend alternatief wordt gevonden dan wel geen begin is gemaakt met alternatieve Jeugdhulp, blijft deze Jeugdhulpaanbieder verantwoordelijk voor het verlenen van Jeugdhulp in de vorm van overbruggingshulp totdat er een andere Jeugdhulpaanbieder is gevonden. In het geval van Jeugdhulp met Verblijf kan het alternatief bestaan uit het bieden van Jeugdhulp zonder Verblijf, ter overbrugging van de wachtperiode. De hulpvrager heeft de keuze gebruik te maken van het geboden alternatief dan wel te wachten op te verlenen Jeugdhulp door de oorspronkelijke Jeugdhulpaanbieder. Indien er sprake is van Crisis en tevens verwijzing door daartoe bevoegde instanties, start Jeugdhulpaanbieder binnen 24 uur na de aanmelding, of zoveel eerder als deze Verwijzer noodzakelijk acht, met de verlening van Jeugdhulp. 2.12 Uitvoering van de jeugdhulp Tijdens de uitvoering van de jeugdhulp houdt de zorgaanbieder, dit in overleg met en met toestemming van de jeugdige en/of de ouders, contact met de verwijzer (onder meer het BJG). De intensiteit van dit contact is afhankelijk van de omstandigheden van het gezin en van de daarover gemaakte afspraken. In overleg wordt gedurende de uitvoering van de jeugdhulp bezien of de gestelde doelen en resultaten behaald worden, wanneer de zorg afgesloten kan worden en of daarna andere of nazorg nodig is.

Rechtspraak bij dit artikel