1.Het college stelt de hoogte van het pgb vast op basis van de
door de cliënt ingediende
begroting voor de benodigde ondersteuning, voor zover dit blijft
binnen de grenzen van de
maximale pgb-tarieven, zoals genoemd in deze paragraaf voor de
betreffende vorm van
ondersteuning.
2.Het college houdt bij de vaststelling van de hoogte van het
pgb rekening met de omstandigheid of er sprake is van
professionele ondersteuning of ondersteuning in het informele
circuit. De kostprijs van een persoonsgebonden budget voor een
niet-materiële maatwerkvoorziening (dienstverlening) richt zich
naar de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura.
Het college stelt regels omtrent de differentiatie van de
tarieven naar de wijze waarop het pgb wordt besteed. Hierbij kan
ze het onderscheid maken tussen
een geregistreerde (zorg)organisatie/instelling;
een ZZP’er; en
informele zorg.
3.Het college stelt nadere criteria op om te bepalen of
er sprake is van professionele
ondersteuning door een organisatie of zelfstandige zonder
personeel, waarbij
het college waar mogelijk aansluit bij de kwaliteitscriteria die
worden gesteld aan
aanbieders.
4.Voor zover de cliënt door de verstrekking van een pgb kosten
bespaart voor een in zijn
situatie algemeen gebruikelijk te achten product, kan het
college besluiten die kosten in
mindering te brengen op het pgb.
5.Het college kan regels stellen, omtrent de mogelijkheid om per
jaar in de begroting een bedrag op te nemen dat niet bestemd is
voor salariskosten, maar voor andersoortige kosten in relatie
tot de dienstverlener. Dit kan dan alleen bij een pgb voor
dienstverlening.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.2
Hoogte van het pgb en begroting
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2015