Naar hoofdinhoud
In beginsel rust op betrokkene de verplichting om de gehele vordering binnen de geboden betalingstermijn te voldoen. Het college is echter bevoegd om betrokkene uitstel van betaling te verlenen en daaraan voorwaarden te verbinden. In artikel 10, eerste lid is aangegeven dat het uitstel ambtshalve verleend kan worden (als uit reeds bekende gegevens blijkt dat de debiteur de vordering niet ineens kan voldoen) of op een gemotiveerd (dus van bewijsstukken voorzien) verzoek van de debiteur. Als betaling ineens niet mogelijk is, dient de debiteur wel zijn aflossingscapaciteit aan te wenden in de vorm van een betalingsregeling (tweede lid). Bij fraudevorderingen kan van de debiteur verlangd worden dat hij ook banktegoeden en andere vermogensbestanddelen aanwendt om de vordering te voldoen. Daarbij kan de debiteur een bepaalde reserve worden gelaten (derde lid). Door het vierde lid wordt bereikt, dat de debiteur niet zijn fraudeschulden aan de gemeente kan wegstrepen tegen zijn bezittingen, bijvoorbeeld banktegoeden. Door onderdeel b wordt verder bereikt, dat voor de debiteur gebruikelijke goederen (bijvoorbeeld zijn normale huisraad) geen rol spelen, evenmin als een overwaarde in een eigen woning tot een bedrag van circa € 49.000. Als een debiteur een opgelegde betalingsregeling niet, niet correct, of niet meer nakomt, herleeft de betalingsverplichting ineens. Dat heeft ook gevolgen voor het al dan niet verschuldigd zijn van rente. Als er een regeling loopt, is er binnen het systeem van deze beleidsregel geen rente verschuldigd, maar als een regeling niet (meer) wordt nagekomen, is er wel rente verschuldigd

Rechtspraak bij dit artikel