Wanneer het college uitstel van betaling verleent onder de voorwaarde dat betrokkene maandelijks een aflossing verricht, heeft het college voorts de beleidskeuze om de hoogte van de maandelijkse betalingsverplichting te bepalen.
Indien betrokkene een uitkering heeft zal daar als uitgangspunt het maximaal mogelijke op worden ingehouden;
Als het gaat om een niet verwijtbare vordering, kan worden volstaan met een lagere inhouding op de uitkering, waarbij wel het streven is om een vordering binnen een redelijke termijn van 24 maanden te laten voldoen (tweede lid);
Buiten fraudevorderingen kan het aflossingsverplichting genoemd in het eerste lid lager vastgesteld worden als de betrokkene gedurende een aaneengesloten periode van 3 jaren heeft moeten leven van een uitkering ter hoogte van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm (lid 3).
Bij beslaglegging moet de beslagvrije voet van artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden gerespecteerd.
HOOFDSTUK 4
Artikel 11
Artikel 11
Onderdeel van Beleidregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Wageningen 2015