Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1

Artikel 11.

Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij

Onderdeel van Beleidregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Wageningen 2015

belanghebbenden met een uitkering Indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ, bedraagt de aflossingsverplichting 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en de maximale toeslag, dan wel de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5, derde lid en volgende, van de IOAW en IOAZ per maand inclusief vakantietoeslag, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, wordt onder omstandigheden met een betalingsvoorstel van de belanghebbende ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel kan worden afgelost. Onder omstandigheden wordt in ieder geval verstaan de verplichting tot aflossing van overige schulden binnen de genoemde termijn van 24 maanden; Met uitzondering van vorderingen die zijn ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, kan de aflossing zoals genoemd in lid 1 verlaagd worden als een debiteur gedurende drie jaar aaneengesloten heeft moeten leven van een bedrag van 90% van de geldende bijstandsnorm. 7. In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een andere schuldeiser dan het college), kan de aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel