Als een debiteur uitstroomt uit de uitkering, wordt de aflossing de eerste 6 maanden nog niet aangepast (lid 1).
Daarna moet de debiteur meer naar draagkracht gaan aflossen. Het tweede lid bepaalt dat er dan, bovenop de aflossing die ook bij een uitkering mogelijk is, nog 35% van het verschil tussen het inkomen inclusief vakantiegeld en de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld moet worden afgelost. Onder inkomen wordt niet alleen het inkomen uit arbeid verstaan, maar al hetgeen ook bij het bepalen van de hoogte van een bijstandsuitkering van belang zou zijn (heffingskortingen, alimentatie, onderhuur etcetera). Door slechts een relatief gering deel van het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm in aanmerking te nemen als aflossing, is er geen noodzaak om specifieke kosten in een draagkrachtberekening te betrekken. Voor zover die kosten er zijn, kunnen deze worden voldaan uit de resterende 65%.
Het derde lid bepaalt dat bij fraudevorderingen het percentage van 35% verandert in 50%. Gelet op het belang van het ongedaan maken van het voordeel dat door de fraude is behaald, is een hogere/snellere aflossing logisch.
Het vierde en vijfde lid regelen op een wijze gelijk aan het tweede en derde lid de aflossing bij een debiteur die reeds ten tijde van het nemen van het terugvorderingsbesluit een ander inkomen heeft dan een uitkering.
Lid 5 regelt de aflossingsverplichting bij een inkomen dat niet hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm/uitkering IOAW-IOAZ plus € 100 per maand.
Lid 6 regelt de situatie dat de betrokkene een betalingsvoorstel doet. Als de vordering in 24 maanden volledig afgelost kan worden en het maandelijkse aflossingsbedrag minimaal € 25,- is stemt het college met het voorstel in;
Lid 8 dit artikel geeft een afwijkende regeling voor betrokkenen met een inkomen uit studiefinanciering
HOOFDSTUK 4
Artikel 12
Artikel 12
Onderdeel van Beleidregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Wageningen 2015