Om de handel in drugs in of bij woningen en lokalen tegen te gaan is strikte handhaving gewenst en noodzakelijk. Handel in drugs in of bij woningen of lokalen vormt immers een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Daarbij is de druk die een illegaal verkooppunt legt op de omgeving bijzonder zwaar. Zeker in woongebieden wordt de aanwezigheid ervan als zeer belastend ervaren. Het woon- en leefklimaat van de burgers wordt erdoor aangetast alsmede de geloofwaardigheid van de overheid. Een illegaal verkooppunt vormt vaak een bedreiging voor de sociale veiligheid in de buurt en leidt tevens vaak tot verloedering van het straatbeeld. Daarnaast kan sprake zijn van nadelige economische gevolgen zoals het dalen van de verkoop- en verhuurwaarde van woningen of lokalen en de achteruitgang van de verzorgingsstructuur (aanwezigheid van andere winkels en voorzieningen). Ook de hennepteelt in woningen en lokalen zorgt voor gevaarzetting en overlast en gaat veelal gepaard met diverse andere vormen van criminaliteit. Voor woningen geldt dat deze niet altijd feitelijk ook als woning worden gebruikt. Er is soms sprake van schijnbewoning en bedrijfsmatigheid. Om die reden wordt een voor bewoning bestemde ruimte die niet feitelijk gebruikt wordt als woning, aangemerkt als lokaal . De betreffende woningen vallen daarmee dan onder het handhavingsregime dat voor lokalen geldt. Of een woning wordt gebruikt als woonruimte en er dan ook sprake is van het hebben van woongenot, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse.
Woningen: 1. Onder een woning wordt verstaan een feitelijk voor bewoning gebruikte ruimte en het eventueel daarbij behorende erf. 2. Indien er sprake is van handel in softdrugs in woningen, wordt bij de eerste constatering daarvan een schriftelijke waarschuwing gegeven. Bij de tweede constatering van handel in softdrugs binnen 3 jaar na de eerste constatering, wordt de woning gesloten voor 3 maanden. Bij de derde constatering van handel in softdrugs binnen 3 jaar na de tweede constatering, wordt de woning gesloten voor 6 maanden. Bij de vierde constatering van handel in softdrugs binnen 3 jaar na de derde constatering, wordt de woning gesloten voor 12 maanden. 3. Indien er sprake is van handel in harddrugs in woningen, wordt bij de eerste constatering daarvan de woning gesloten voor 3 maanden. Bij de tweede constatering van handel in harddrugs binnen 3 jaar na de eerste constatering, wordt de woning gesloten voor 6 maanden. Bij de derde constatering van handel in harddrugs binnen 3 jaar na de tweede constatering, wordt de woning gesloten voor 12 maanden. 4. Indien er meer dan 3 jaar is verstreken tussen twee constateringen van handel in soft-/harddrugs, wordt de laatste van die twee constateringen weer als een eerste constatering aangemerkt. 5. Schriftelijke waarschuwingen zijn altijd pandgebonden. Schriftelijke waarschuwingen worden altijd verzonden naar de pandeigenaar en indien mogelijk de pandgebruiker. 6. Indien blijkt dat een pandeigenaar betreffende overtreding van de Opiumwet zélf heeft gemeld én de pandeigenaar na vaststelling van de overtreding van de Opiumwet de huur onmiddellijk heeft opgezegd, wordt geen sanctie (waarschuwing of sluiting) opgelegd. Indien deze bepaling van toepassing is wordt aan de pandeigenaar een brief verzonden waarin aandacht wordt besteed aan de verantwoordelijkheden van een pandeigenaar en aan (preventie)maatregelen die een pandeigenaar kan nemen. Deze bepaling is niet van toepassing indien blijkt dat de pandeigenaar de zorgplicht als pandeigenaar onvoldoende in acht heeft genomen.
Lokalen: 1. Onder een lokaal wordt verstaan een al dan niet voor publiek toegankelijk lokaal en het daarbij behorende erf (omvat zowel coffeeshops, cafés en winkels als loodsen en/of bedrijfsruimten), alsmede een woning die niet feitelijk voor bewoning wordt gebruikt. 2. Indien er sprake is van handel in softdrugs in lokalen, wordt bij de eerste constatering daarvan het lokaal gesloten voor 6 maanden. Bij de tweede constatering van handel in softdrugs binnen 3 jaar na de eerste constatering, wordt het lokaal gesloten voor 12 maanden. Bij de derde constatering van handel in softdrugs binnen 3 jaar na de tweede constatering, wordt het lokaal gesloten voor 24 maanden. 3. Indien er sprake is van handel in harddrugs in lokalen, wordt bij de eerste constatering daarvan het lokaal gesloten voor 12 maanden. Bij de tweede constatering van handel in harddrugs binnen 3 jaar na de eerste constatering, wordt het lokaal gesloten voor 24 maanden. Bij de derde constatering van handel in harddrugs binnen 3 jaar na de tweede constatering, wordt het lokaal gesloten voor 48 maanden. 4. Indien er meer dan 3 jaar is verstreken tussen twee constateringen van handel in drugs, wordt de laatste van die twee constateringen weer als een eerste constatering aangemerkt. 5. Voor zover er in een lokaal een inrichting met vergunning wordt geëxploiteerd (bijvoorbeeld Drank- en Horecawetvergunning of vergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening), wordt bij elke constatering van handel in drugs de vergunning indien mogelijk ingetrokken. 6. Indien blijkt dat een pandeigenaar betreffende overtreding van de Opiumwet zélf heeft gemeld én de pandeigenaar na vaststelling van de overtreding van de Opiumwet de huur onmiddellijk heeft opgezegd, wordt geen sanctie (waarschuwing of sluiting) opgelegd. Indien deze bepaling van toepassing is wordt aan de pandeigenaar een brief verzonden waarin aandacht wordt besteed aan de verantwoordelijkheden van een pandeigenaar en aan (preventie)maatregelen die een pandeigenaar kan nemen. Deze bepaling is niet van toepassing indien blijkt dat de pandeigenaar de zorgplicht als pandeigenaar onvoldoende in acht heeft genomen.
Toelichting sluitingstermijnen In beginsel sluit de zwaarte van de verschillende sancties (sluitingsduur) aan op de ernst van de geconstateerde overtreding. De duur van de sluiting is in de eerste plaats afhankelijk van de soort overtreding, in die zin dat de sluitingsduur bij handel in harddrugs in beginsel langer is dan de sluitingsduur bij handel in softdrugs. Dit hangt samen met het beleidsmatig en strafrechtelijk onderscheid tussen soft- en harddrugs (lijst I en II Opiumwet) en de onaanvaardbare risico’s van harddrugs. De duur van de sluiting is verder afhankelijk van de vraag of de handel in drugs heeft plaatsgevonden in een woning of in een lokaal, in die zin dat de sluitingsduur bij handel in drugs in lokalen in beginsel langer is dan de sluitingsduur bij handel in drugs in woningen. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat de sluiting van een woning zwaarder ingrijpt op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene(n) dan de sluiting van lokalen. Gelet op vorenstaande onderscheid tussen enerzijds soft- en harddrugs en anderzijds tussen woningen en lokalen is er, mede met het oog op artikel 8 EVRM, ook voor gekozen bij de eerste constatering van handel in softdrugs in een woning te volstaan met een schriftelijke waarschuwing en dus nog niet direct over te gaan tot sluiting van de woning. De sluitingsduur is voorts bij zowel handel in softdrugs als in harddrugs alsmede bij zowel woningen als lokalen langer indien eerder al een sanctie is opgelegd voor handel in drugs op de betreffende locatie. Tot slot is bij de vaststelling van de verschillende sluitingstermijnen uitgegaan van de tijd die verwacht wordt nodig te zijn om de bekendheid van een locatie als drugsadres teniet te doen, de rust in de directe omgeving te doen wederkeren of herhaling van ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen alsmede een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen. Mede vanuit dit opzicht kan middels de opheffingsmogelijkheid (zie verder hoofdstuk 9) de sluitingsduur achteraf zo nodig ook worden gecorrigeerd. Met deze opheffingsmogelijkheid wordt echter zeer terughoudend omgegaan. De verschillende sluitingsduren die worden gehanteerd variëren van 3 tot en met 48 maanden en zijn zoveel mogelijk gelijkgeschakeld met het handhavingsbeleid van de taskforce Brabant-Zeeland.
Nadere belangenafweging Erkend wordt dat de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet ingrijpende (financiële) gevolgen heeft voor zowel de gebruikers/huurders als de eigenaren van woningen en/of lokalen. Er is echter door de gebruikers/huurders en mogelijk tevens door de eigenaren van de woningen of lokalen ook (direct dan wel indirect) financieel voordeel behaald uit de handel in drugs. De oplopende zwaarte van de maatregelen wordt volgens de burgemeester gerechtvaardigd omdat handel in drugs verboden is bij wet en beleid van de gemeente breed bekend is gemaakt. Het beleid is er bovendien op gericht zowel de herhaling van handel in drugs op bepaalde locaties alsmede de vestiging van nieuwe verkooppunten op dezelfde of andere locaties te voorkomen (verplaatsingseffect).
Artikel 5
Handhaving drugshandel in woningen en lokalen
Onderdeel van Beleidsregels artikel 13 b Opiumwet (Damoclesbeleid)