Een bestemmingsplan kan voorzien in een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, waarin aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid wordt toegekend om, met inachtneming van bij het plan te stellen voorwaarden, toe te staan dat mestsilo's, mestbassins, mestzakken, kuilvoerplaten en sleufsilo's buiten het op de verbeelding aangewezen agrarisch bouwperceel worden opgericht casu quo aangelegd. Voor de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voorzien de planregels in een richtinggevend afwegingskader, waarin onder meer is bepaald dat van de bevoegdheid alleen gebruik mag worden gemaakt indien:
objectief wordt aangetoond dat de opslag van mest en veevoer buiten het agrarisch bouwperceel op grond van ruimtelijke of milieuhygiënische belemmeringen noodzakelijk is, en;
de opslag van mest en veevoer zoveel mogelijk aansluit op, en daarbij in ieder geval gelegen is binnen een afstand van 25 meter van de grens van het agrarisch bouwperceel, en;
andere (ruimtelijk relevante) belangen niet onevenredig worden geschaad, en;
over de landschappelijke aanvaardbaarheid van de locatie en de wijze van inpassing van opslagvoorziening voor mest en veevoer advies wordt ingewonnen bij (de landschapsarchitect van) de Stichting Libau te Groningen. Afwijking van een uitgebracht negatief advies behoeft een bijzondere rechtvaardiging en een daartoe strekkende overtuigende motivering, en;
de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van de opslagvoorzieningen voor mest en veevoer aansluitend op het agrarisch bouwperceel, wordt geborgd door aan de omgevingsvergunning een voorwaarde te verbinden die ertoe strekt dat de betrokken voorziening uitsluitend mag worden opgericht of aangelegd indien de (erf)beplanting vóór een nader te bepalen datum ná het verlenen van de omgevingsvergunning overeenkomstig het bij het de vergunning gevoegde beplantingsplan wordt aangelegd en vervolgens in stand wordt gehouden gedurende de periode dat hetgeen gebouwd of aangelegd is feitelijk aanwezig is.
Artikel 2