Een bestemmingsplan kan voorzien in binnenplanse afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, of een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, waarin aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid wordt toegekend om, met inachtneming van bij het plan te stellen voorwaarden, toe te staan dat voorzieningen voor mestopslag niet binnen het in een bestemmingsplan op de verbeelding aangewezen agrarisch bouwperceel maar op de veldkavel worden gerealiseerd, voor zover het gronden betreft die op de bij deze nadere regels behorende verbeelding zijn aangeduid als "specifieke vorm van agrarisch - mestopslag veldkavel". Voor de toepassing van de afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid voorzien de planregels in een richtinggevend afwegingskader, waarin onder meer is bepaald dat van de bevoegdheid alleen gebruik mag worden gemaakt indien:
objectief wordt aangetoond dat de mestopslag:
op grond van milieuhygiënische belemmeringen binnen het agrarisch bouwperceel of daarop aansluitend niet mogelijk is; of
noodzakelijk is om aantoonbare structurele verkeersoverlast door transportbewegingen in kernen te voorkomen dan wel te beperken als reële alternatieve ontsluitingsroutes ontbreken;
andere (ruimtelijk relevante) belangen niet onevenredig worden geschaad;
over de landschappelijke aanvaardbaarheid van de locatie en de wijze van inpassing van de mestopslag advies wordt ingewonnen bij (de landschapsarchitect van) de Stichting Libau te Groningen. Afwijking van een uitgebracht negatief advies behoeft een bijzondere rechtvaardiging en een daartoe strekkende overtuigende motivering;
de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van opslagvoorzieningen voor mest op de veldkavel wordt geborgd door:
hetzij aan de omgevingsvergunning een voorwaarde te verbinden die ertoe strekt dat de betrokken voorziening uitsluitend mag worden opgericht of aangelegd indien de (erf)beplanting vóór een nader te bepalen datum ná het verlenen van de omgevingsvergunning overeenkomstig het bij het de vergunning gevoegde beplantingsplan wordt aangelegd en vervolgens in stand wordt gehouden;
hetzij door in het wijzigingsplan een gebruiksregel op te nemen die ertoe strekt dat de betrokken voorziening uitsluitend mag worden opgericht of aangelegd indien de (erf)beplanting vóór een nader te bepalen datum ná het verlenen van de omgevingsvergunning overeenkomstig het bij het wijzigingsplan gevoegde beplantingsplan wordt aangelegd en vervolgens in stand wordt gehouden gedurende de periode dat hetgeen gebouwd of aangelegd is feitelijk aanwezig is.
Artikel 3