Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 3.

Alleenstaande (ouder)

Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren

1.. De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet, bedraagt 20% van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 2.. De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet, bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft dan wel voor de jongere die in de woning van een ander zijn hoofdverblijf heeft. 3.. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid bedraagt de toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet 20% van de gehuwdennorm indien de jongere die in de woning van een ander zijn hoofdverblijf heeft aantoont woonlasten te hebben die tenminste 18% van de gehuwdennorm bedragen, dan wel kostgeld verschuldigd te zijn dat tenminste 36% van de gehuwdennorm bedraagt. 4.. De jongere waarbij een hulpbehoevende bloedverwant in de eerste of tweede graad hoofdverblijf in zijn woning heeft en de jongere belast is met diens verzorging, dan wel indien de jongere zelf als hulpbehoevende wordt aangemerkt en degene die voor de verzorging zorgdraagt bloedverwant is in de eerste of tweede graad, wordt niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. 5.. In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid wordt ingevolge artikel 32 van de wet geen toeslag aan de jongere verstrekt voor zover deze lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de inkomensvoorziening voorziet, als gevolg van het in het geheel niet verschuldigd zijn van woonlasten dan wel indien deze in zijn geheel door een derde worden voldaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel