**1..** De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor gehuwden in wier woning een ander zijn hoofdverblijf heeft dan wel voor gehuwden die in de woning van een ander hun hoofdverblijf hebben.
**2..** In afwijking op het gestelde in het eerste lid wordt geen verlaging op de gehuwdennorm toegepast voor gehuwden die in de woning van een ander hun hoofdverblijf hebben, indien de gehuwden aantonen woonlasten te hebben die tenminste 18% van de gehuwdennorm bedragen dan wel kostgeld verschuldigd te zijn dat tenminste 36% van de gehuwdennorm bedraagt.
**3..** De gehuwden waarbij een hulpbehoevende bloedverwant in de eerste of tweede graad hoofdverblijf in zijn woning heeft en de alleenstaande of alleenstaande ouder belast is met diens verzorging, dan wel indien de gehuwden zelf als hulpbehoevenden worden aangemerkt en degene die voor de verzorging zorg dragen bloedverwant is in de eerste of tweede graad, wordt niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft.
**4..** De norm voor gehuwden wordt ingevolge artikel 32 van de wet verlaagd met 20% van de gehuwdennorm, voor zover de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de inkomensvoorzieningsnorm voorziet, als gevolg van het in het geheel niet verschuldigd zijn van woonlasten dan wel indien deze in zijn geheel door een derde worden voldaan.
Hoofdstuk 3.
Artikel 5.
Gehuwden
Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren