Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 4.

Draagkracht in inkomen

Onderdeel van Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Moerdijk

1.De belanghebbende met een inkomen tot 110 % van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt, behalve bij de onder lid 2 genoemde kostensoorten, geacht geen draagkracht te hebben. Bij het volgens artikel 32 en 33 van de wet in aanmerking te nemen inkomen geldt dus een vrijlating van 10% bovenop de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Van het inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt in beginsel 25% als draagkracht in aanmerking genomen voor de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand. De grens van 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm geldt niet in geval van kosten voor woonkostentoeslag en inrichtingskosten / duurzame gebruiksgoederen. Bij deze kosten wordt voor de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand 100 % van het meerdere bovenop de van toepassing zijnde bijstandsnorm als draagkracht in aanmerking genomen. De vrijlatingen op grond van artikel 31, tweede lid Participatiewet gelden ook voor de bijzondere bijstand; Bij de vaststelling van het inkomen wordt een op basis van artikel 36 van de wet verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing gelaten. Bij de vaststelling van het inkomen wordt uitgegaan van het periodieke inkomen van de belanghebbende(n) gedurende de maand waarin de aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend, of maximaal één maand voorafgaande aan de aanvraag. Indien dit inkomen geen juist inzicht geeft in het te verwachten inkomen gedurende de draagkrachtperiode, wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen gedurende de drie maanden voorafgaande aan de aanvraag. Bij aanvragen met terugwerkende kracht wordt uitgegaan van het periodieke inkomen in de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan. De belanghebbende die deelneemt aan een WSNP traject wordt geacht geen draagkracht te hebben.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel