**1..** Het college neemt in beginsel alle middelen, inkomen en vermogensbestanddelen waarover een uitkeringsgerechtigde of het gezin kunnen beschikken, in aanmerking voor het berekenen van de draagkracht.
**2..** Het college stelt het inkomen op dezelfde manier vast als voor de algemene bijstand (§ 3.4 van de wet).
**3..** Het college laat inkomsten uit arbeid van ten laste komende kinderen (artikel 31, lid 2 onder h van de wet) vrij, tenzij de bijzondere bijstand voor kosten van het minderjarige kind met inkomsten uit arbeid wordt aangevraagd.
**4..** Het college neemt als uitgangspunt voor het bepalen van de draagkracht in het inkomen: het netto inkomen inclusief vakantiegeld dat ten tijde van de aanvraag wordt ontvangen. Bij wisselende inkomsten wordt het inkomen gebaseerd op een periode van drie maanden. Indien dit geen redelijke draagkracht oplevert, wordt het inkomen over het gehele jaar genomen. Ook hier geldt dat het vakantiegeld deel uitmaakt van de draagkrachtberekening.
**5..** Het college neemt het inkomen waarop executoriaal beslag gelegd is niet als inkomen in aanmerking, onder voorwaarden dat de belanghebbende
dat (deel van het) inkomen feitelijk niet kan besteden, en
feitelijk niet over dat (deel van het) inkomen kan beschikken, en
dat (deel van het) inkomen feitelijk niet aan hem kan laten uitbetalen.
**6..** Het college rekent de individuele inkomenstoeslag (artikel 36 van de wet) niet tot het draagkrachtinkomen, uitgezonderd voor de aanvraag voor aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen en/of woninginrichting.
**7..** Het college acht in beginsel geen draagkracht in het inkomen aanwezig bij een belanghebbende:
op wie de WSNP van toepassingis verklaard, of
voor wie een minnelijke schuldregeling tot stand is gekomen.
**8..** Het college hanteert bij aanvragen voor bijzondere bijstand dezelfde vermogensvrijlating zoals opgenomen in artikel 34 van de wet.
**9..** Het college berekent het voor de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen als volgt:
bij inkomen tot de toepasselijke bijstandsnorm: 0% van het inkomen;
bij inkomen tot 150 % van de toepasselijke bijstandsnorm: 35% van het inkomen tussen 100% en 150%;
bij een inkomen van 150% of hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm: 100% van het meerdere inkomen boven 150%;
bij de kostensoorten woonkostentoeslag en kosten beschermingsbewind, curator of mentorschap geldt voor het inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm: 100% van het meerdere inkomen.
Hoofdstuk 4
Artikel 9
Draagkracht alleenstaanden en gehuwden
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand