1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gaat de verlaging
in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum
waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging van de
uitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
uitgegaan van de voor die maand geldende toepasselijke
bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging
met terugwerkende kracht worden opgelegd als er sprake is van een
besluit op aanvraag, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald.
In deze situatie werkt het verlagen van de uitkering terug tot de
ingangsdatumdatum van de uitkering dan wel de datum waarop het
verzuim betrekking heeft. 3. In afwijking van het eerste lid kan,
voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor
levensonderhoud hebben ontvangen in de vorm van een geldlening op
grond van het Bbz, de verlaging met terugwerkende kracht worden
betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand. 4. Bij
samenloop van verschillende gedragingen die het niet nakomen van
verplichtingen inhouden, wordt de hoogte en duur van de verlaging
vastgesteld op de gedraging met de hoogste verlaging. 5. De
uitkering wordt verlaagd voor de duur van één maand, tenzij sprake
is van: a. recidive, dan wordt de duur van de verlaging verdubbeld
tenzij in deze verordening of de wet anders is bepaald; b.
verwijtbaar gedrag waarvoor in deze verordening een afwijkende duur
is vastgesteld. 6. Indien door beëindiging van de uitkering de
verlaging niet of niet volledig kan worden toegepast, kan bij een
eventuele nieuwe aanvraag binnen de termijn van 1 jaar de verlaging
of het deel dat nog niet is uitgevoerd alsnog worden
geëffectueerd.