1. De verlaging wordt toegepast op de toepasselijke bijstandsnorm.
2. Deze verlaging bestaat uit een percentage van de toepasselijke
bijstandsnorm, dan wel uit een percentage van het benadelingsbedrag,
zoals opgenomen in deze verordening. 3. In afwijking van het eerste
lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand
indien: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
toepassing van artikel 12 (onderhoudsplicht ouders) P-wet; b. de
verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot het recht
op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft; c. het bijzondere
bijstand betreft voor woonkosten en premie voor
arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die een
uitkering voor levensonderhoud (hebben) ontvangen krachtens het Bbz
of IOAZ. 4. Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan
bijzondere bijstand worden afgestemd op de wijze zoals beschreven in
artikel 32 lid 5 van deze verordening wanneer sprake is van
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. 5. Onverminderd het
bepaalde in de vorige leden kan afstemming plaatsvinden door de
bijstand bij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor
de voorziening in de kosten van het bestaan te verstrekken als
geldlening op basis van artikel 48, tweede lid, onder b, P-wet.
§ 3 › § 3.1
Artikel 24
De berekeningsgrondslag van de verlaging
Onderdeel van Verzamelverordening 2015