Naar hoofdinhoud

Artikel 4.3.2

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Eindhoven

1.. Het is verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand, of een boom die op grond van een krachtens artikel 4.3.6 opgelegde verplichting is geplant, te vellen of te doen vellen. 2.. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; fruitbomen die op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd en windschermen om boomgaarden; fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; kweekgoed; houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten de bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen gerekend over het totale aantal rijen; houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.3.6; dode bomen voor zover die niet monumentaal zijn of voorkomen op de door het bevoegd gezag opgestelde lijst van waardevolle tuin- of erfbomen en bomen die direct gevaar opleveren voor de veiligheid van personen, zulks onverminderd de plicht binnen een week na velling daarvan melding te doen bij het bevoegd gezag en onverminderd het bepaalde in artikel 4.3.6; houtopstand in tuinen of erven behorende bij woningen, tenzij de houtopstand wordt vermeld op een door het bevoegd gezag vastgestelde inventarisatielijst van waardevolle bomen. 3.. Het bevoegd gezag kan aan de vergunning als bedoeld in het eerste lid het voorschrift verbinden dat van deze vergunning pas gebruikt mag worden gemaakt na afloop van de bezwarentermijn en tevens dat, voor zover sprake is van een bezwaarschrift of een verzoek om voorlopige voorziening, van deze vergunning pas gebruik mag worden gemaakt zes weken nadat op dit bezwaarschrift is beslist of totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel