Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › AFDELING V

Artikel 5

Artikel 5

Onderdeel van Parkeerverordening 2007

Het oude artikel E is als volgt gewijzigd: Eerste lid De vergunning is geldig voor een termijn van maximaal 1 kalenderjaar. Toegevoegd is dat een afgegeven vergunning met toestemming van beide partijen voor ieder volgend kalenderjaar kan worden verlengd tegen het dan geldende vastgestelde tarief. Tweede lid De onder a en d opgenomen gegevens zijn in ieder geval noodzakelijk om te kunnen controleren. Artikel 6 Zowel in het oude artikel F als het nieuwe artikel 6 wordt in de aanhef van dit artikel gesproken over 'kunnen intrekken'. Bedoeld is hiermee aan te geven dat het ter beoordeling is van burgemeester en wethouders of een vergunning daadwerkelijk wordt ingetrokken wanneer een van de opgesomde omstandigheden zich voordoet. Om andere redenen dan genoemd kan de vergunning niet worden ingetrokken. Het tweede lid van artikel F (oud) vervalt, en het cijfer 1 voor het eerste lid wordt geschrapt. Het tweede lid van artikel F (oud) kan vervallen in verband met de inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht, die ten aanzien van deze onderwerpen in een regeling voorziet. Artikel 7 Evenals het oude artikel G verbiedt dit artikel het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde motorvoertuigen (voertuigen), op parkeerapparatuur- en belanghebbendenplaatsen. Het plaatsen van dergelijke voorwerpen belemmert de normale gang van zaken op de genoemde plaatsen en doorkruist daarmee de beoogde regulering. Het gaat hier om gedragingen die zich niet lenen voor fiscalisering. Deze verbodsbepaling moet dan ook, ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan, in de verordening worden opgenomen. Derde lid In tegenstelling tot het bepaalde in lid 1 is het voor een goede gang van zaken op parkeerapparatuurplaatsen niet gewenst om ontheffing te kunnen verlenen van het in het tweede lid neergelegde verbod. De mogelijkheid daartoe is daarom ook niet opgenomen in het model. Artikel 8 Het oude artikel H was alleen het huidige lid 1 opgenomen. Nu bevat het artikel 8 enkele verbodsbepalingen voor gedragingen die niet gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen moeten, ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan of niet, in de verordening opgenomen worden. In het model uit 1975 is een 'bijvulverbod' opgenomen. Dit verbod is niet overgenomen, omdat het in strijd is met het fiscale regime. Wanneer de parkeertijd, waarvoor een bestuurder heeft betaald, is verstreken moet hij (opnieuw) aangifte doen. Als hij niet aan die verplichting voldoet, wordt hem, in geval van constatering, een naheffingsaanslag opgelegd. Wanneer een bijvulverbod geldt, zou de parkeerder een strafbaar feit plegen, terwijl hij aan zijn belastingplicht voldoet. Een bijvulverbod is daarom onder een fiscaal regime niet mogelijk. Bij strafrechtelijke handhaving is een bijvulverbod wel mogelijk. Desgewenst zou aan lid 1 kunnen worden toegevoegd dat het eveneens verboden is te parkeren in strijd met bepaalde in de kennisgeving op de parkeerapparatuur gegeven aanwijzingen. De bepaling dat het verboden is te parkeren 'in strijd met enige in de kennisgeving op de parkeerapparatuur gegeven aanwijzing' lijkt minder geschikt omdat ook op de meter wordt vermeld hoeveel moet worden betaald. Het niet betalen zou daarmee onder het strafrecht worden gebracht wat na invoering van de fiscalisering niet de bedoeling is. In lid 5 is het al bestaande beleid voor de houders van gehandicaptenparkeerplaatsen geregeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel