Het basis vakantieverlof is conform het gestelde in artikel 6:2
van de CAR-UWO.
Het basisverlof verkregen volgens lid a wordt vermeerderd met 16
'Zundertse' verlofuren.
Het in lid a en b vermelde verlof wordt in het kader van
leeftijdsfasebewust personeelsbeleid voor een medewerker met een
volledige betrekking vermeerderd met:
21,6 uren, indien de medewerker de leeftijd van 19 jaar
nog niet heeft bereikt;
14,4 uren, indien de medewerker de leeftijd van 19 jaar
heeft bereikt;
7,2 uren, indien de medewerker de leeftijd van 20 jaar
heeft bereikt;
7,2 uren, met ingang van het kalenderjaar waarin de
leeftijd van 30 jaar wordt bereikt;
14,4 uren, met ingang van het kalenderjaar waarin de
leeftijd van 40 jaar wordt bereikt of een
overheidsdiensttijd van 15 tot en met 24 jaar is
bereikt;
21,6 uren, met ingang van het kalenderjaar waarin de
leeftijd van 45 jaar wordt bereikt;
28,8 uren, met ingang van het kalenderjaar waarin de
leeftijd van 50 jaar wordt bereikt of een
overheidsdiensttijd van 25 tot en met 39 jaar is
bereikt;
36 uren, met ingang van het kalenderjaar waarin de
leeftijd van 55 jaar wordt bereikt;
43,2 uren, met ingang van het kalenderjaar waarin de
leeftijd van 60 jaar wordt bereikt of een
overheidsdiensttijd van 40 jaar of meer.
Het aantal vakantie-uren verkregen volgens lid b wordt vermeerderd met
het hoogste aantal uren behorende bij diensttijd of leeftijd. Deze
vermeerdering wordt genoten met ingang van het kalenderjaar waarin de
desbetreffende diensttijd of leeftijd wordt bereikt.
Het in het lid a vermelde verlof wordt verhoogd met 7,2 uren bij
iedere medewerker ingeschaald in schaal 11 of hoger. Voor deze
medewerkers vervalt het recht op overwerktoeslag.
Bij medewerkers met een deeltijd dienstverband wordt het verlof,
zoals genoemd in lid a t/m d van dit artikel, naar rato van de
deeltijdfactor toegepast.
Bij indiensttreding en uitdiensttreding in de loop van het
kalenderjaar wordt het verlof, zoals genoemd in lid a t/m e van
dit artikel, naar rato van het aantal werkzame maanden
toegekend.