Naar hoofdinhoud

Artikel 4:

Voorwaarden uitzetten van gelden

Onderdeel van Treasurystatuut 2015

1.. Bij het doen van feitelijke uitzettingen worden de volgende richtlijnen in acht genomen: (Tijdelijke) overtollige middelen worden in de schatkist bij het Rijk aangehouden; Uitgezonderd van deze verplichting zijn: Middelen voor zover deze, gerekend over een kwartaal gemiddeld het drempelbedrag schatkistbankieren niet te boven gaan. Het drempelbedrag wordt bepaald op basis van het begrotingstotaal van het openbaar lichaam. Voor openbare lichamen met een begrotingstotaal kleiner of gelijk aan € 500 miljoen is het drempelbedrag gelijk aan 0,75% van het begrotingstotaal, waarbij het drempelbedrag minimaal € 250.000 bedraagt. Voor openbare lichamen met een begrotingstotaal groter dan € 500 miljoen is het drempelbedrag gelijk aan € 3,75 miljoen, vermeerderd met 0,2% van het dele van het begrotingstotaal dat de € 500 miljoen te boven gaat. Middelen aangehouden in fondsen, bedoeld in artikel 15.47 van de wet Milieubeheer (door GS van een provincie opgericht fonds, bestemd voor de zorg van gesloten stortplaatsen); Middelen op een G-rekening als bedoeld in artikel 1, onder k, van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004; 2.. Gelden die conform lid 1 uitgezonderd zijn van de verplichting om in de schatkist bij het Rijk te worden aangehouden, zet de gemeente, al dan niet tegen waardepapieren, slechts uit bij en gaat slechts verbintenissen met betrekking tot financiële derivaten aan met financiële ondernemingen die: gevestigd zijn in een lidstaat die ten minste beschikt over een AA-rating afgegeven door ten minste twee ratingbureaus; en voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren kunnen aantonen dat ze ten minste over een AA-minusrating beschikken, afgegeven door ten minste twee ratingbureaus. 3.. Indien de gelden worden uitgezet of de verbintenissen met betrekking tot financiële derivaten worden aangegaan voor een periode van minder dan drie maanden, tonen deze financiële ondernemingen aan dat ze, in afwijking van het tweede lid, onderdeel b, voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren ten minste over een A-rating, afgegeven door ten minste twee ratingbureaus beschikken. 4.. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op uitzettingen tegen waardepapieren waarvoor een solvabiliteitsratio van 0 procent geldt. 5.. De gemeente zet tijdelijk overtollige gelden van aangetrokken leningen voor projectfinanciering uitsluitend uit bij de financiële onderneming waar deze leningen zijn aangegaan, onverminderd het tweede en derde lid. 6.. Indien de gemeente een nettingovereenkomst heeft afgesloten met een financiële onderneming met betrekking tot het uitzetten van tijdelijk overtollige gelden van aangetrokken leningen voor projectfinanciering als bedoeld in het vijfde lid, zijn het tweede en derde lid niet van toepassing. 7.. Bij het uitlenen van gelden anders dan in het kader van treasury zijn de in de leden 1 tot en met 6 gestelde voorwaarden niet van toepassing. Wel dient in een dergelijk geval de gemeenteraad te worden gehoord alvorens het college over het uitzetten van gelden een definitief besluit neemt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel