1. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:

  • - naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;
  • - niet zijn bedoeld als re-integratie instrument;
  • - worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en
  • - niet leiden tot verdringing.