Naar hoofdinhoud
Om voor een vrijlating van inkomsten als bedoeld in artikel 1 in aanmerking te komen, moet er in ieder geval sprake zijn van: de belanghebbende ontvangt legale inkomsten uit deeltijd arbeid, waarbij de werkzaamheden na de ingangsdatum van de uitkering zijn begonnen. Voor toepassing van een inkomstenvrijlating dienen de inkomsten uit arbeid in deeltijd als bedoeld in lid 1, samen met andere inkomensbestanddelen, niet hoger te zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag. Als inkomsten uit arbeid in deeltijd worden mede aangemerkt: doorbetaling van loon door de werkgever tijdens ziekte; een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg in verband met zwangerschap en bevalling; een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in verband met ziekte als gevolg van zwangerschap en bevalling; of inkomen uit arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep als deeltijd zelfstandige. Belanghebbende moet zijn aangewezen op, of bezig zijn met een traject, gericht op volledige uitstroom uit de bijstand; Over de door belanghebbende te verrichten arbeid is door een rapportage vastgesteld dat deze een bijdrage levert aan de arbeidsinschakeling van belanghebbende; Het college stelt het recht op een inkomstenvrijlating ambtshalve of, wanneer dit niet mogelijk is, op schriftelijke aanvraag vast. Het college bepaalt, als dit noodzakelijk is, welke gegevens een uitkeringsgerechtigde voor de vaststelling van het recht op een inkomstenvrijlating moet verstrekken, alsmede het de wijze en het tijdstip waarop hij de gegevens moet verstrekken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel