Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2.

Artikel 2.2

Aanvragen voor een omzettingsvergunning

Onderdeel van Verordening op de kamerverhuurpanden 2015

1.. De aanvraag voor een omzettingsvergunning wordt door de eigenaar in drievoud ingediend bij het college op een door het college vastgesteld formulier. 2.. Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: bewijs van eigendom van de woonruimte en, voor zover van toepassing, bewijs dat de aanvrager gerechtigd is tot de gevraagde omzetting; een plattegrond van de bestaande situatie, voorzien van gebruiksoppervlaktematen (schaal1:100); een plattegrond van de gewijzigde situatie, voorzien van gebruiksoppervlaktematen, waarbij is aangegeven welke ruimten als afzonderlijke woonruimte zullen worden gebruikt (schaal1:100). 3.. Het college is bevoegd om in het belang van het nemen van een beslissing op de aanvraag voor een omzettingsvergunning aanvullende gegevens en bescheiden te vragen. 4.. In de omzettingsvergunning vermeldt het college de volgende informatie: het adres van de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft; de eigenaar van de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft; de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft; het aantal onzelfstandige woonruimten dat gecreëerd mag worden. 5.. Aan een omzettingsvergunning worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden: onverminderd het bepaalde in de Woningwet mogen er geen ingrijpende verbouwingen worden uitgevoerd die de geschiktheid om als woonruimte te kunnen dienen aantasten; wijziging van het gemelde gebruik is alleen toegestaan voor zover het aantal kamers daardoor niet toeneemt; de vergunninghouder stelt het college in kennis van de feitelijke beëindiging van het gebruik waarvoor de omzettingsvergunning is verleend; het kamerverhuurpand mag niet eerder in gebruik worden genomen dan nadat deze van gemeentewege op brandveiligheid en bouwkundige eisen is goedgekeurd. 6.. Een omzettingsvergunning is zowel gebonden aan het pand alsook aan de rechthebbende op het pand en is niet overdraagbaar anders dan door rechtsopvolging na overlijden van de vergunninghouder. 7.. Op de vergunning genoemd in artikel 2.1 is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beslissing bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel