Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 6

Zittingsduur en vacatures

Onderdeel van Verordening op de raadscommissies

De zittingsperiode van de leden, de voorzitters en hun plaatsvervangers is even lang als de zittingsperiode van de raadsleden, in principe dus vier jaar. De benoeming eindigt derhalve van rechtswege, de raad hoeft hen niet te ontslaan. Op grond van het tweede lid eindigt het (buitengewoon) lidmaatschap van een raadscommissie eveneens van rechtswege indien een lid niet meer voldoet aan de in artikel 4, tweede lid, gestelde eisen en indien een lid is benoemd op voordracht van een fractie die blijkens een schriftelijke verklaring aan de voorzitter van de raad niet meer vertegenwoordigd is in de raad (zevende lid). De raad kan een lid van een raadscommissie op voorstel van de fractie die het lid heeft voorgedragen, ontslaan. Deze situatie kan zich voordoen in geval van een splitsing van een fractie. De ontstane nieuwe fractie heeft dan overigens op grond van artikel 4, eerste lid, recht op een eigen lid / eigen leden. Opgenomen is ook dat de raad een lid ook op eigen initiatief kan ontslaan en daarmee niet op een voorstel van een fractie hoeft te wachten. Dit is opgenomen omdat de raad in staat moet zijn verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van een commissie die door hem is ingesteld.. Ook stelt deze bepaling de raad in staat buitengewone leden te ontslaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel