De commissie is belast met en verantwoordelijk voor de uitvoering,
begeleiding en sturing van het onderzoek volgens de door haar
vastgestelde onderzoeksopzet.
De commissie beoordeelt of het wenselijk is de raad tussentijds te
informeren.
De commissie is bevoegd bij alle leden van het gemeentebestuur en
bij alle voor hem werkzame ambtenaren de mondelinge en schriftelijke
inlichtingen in te winnen die zij nodig acht voor de uitvoering van
de onderzoeken. De leden van het gemeentebestuur en de voor hem
werkzame ambtenaren zijn verplicht de gevraagde inlichtingen binnen
de door de commissie gestelde termijn te verstrekken.
De commissie kan de bevoegdheden genoemd onder het derde lid
mandateren aan een van haar leden of haar secretaris.
Voor de uitvoering van het onderzoek kan de commissie, met
inachtneming van het beschikbare budget, externe personen of bureaus
inschakelen.
De commissie stelt de betrokkenen in de gelegenheid om binnen een
door haar te stellen termijn, die tenminste twee weken bedraagt, hun
zienswijze op het conceptonderzoeksrapport aan de commissie kenbaar
te maken. Betrokkenen zijn degenen wier taakuitvoering (mede)
onderwerp van onderzoek is of is geweest. De commissie bepaalt wie
verder als betrokkenen worden aangemerkt.
De commissie stelt vervolgens het betrokken bestuursorgaan in de
gelegenheid binnen een door haar te stellen termijn, die ten minste
vier weken bedraagt, zijn reactie aan de commissie te geven op de
conclusies en aanbevelingen van het conceptonderzoeksrapport.Het
betrokken bestuursorgaan deelt, indien van toepassing ten minste
mee:
welke aanbevelingen worden overgenomen en op welke wijze;
of
indien aanbevelingen niet worden overgenomen, de motivering
waarom van aanbevelingen wordt afgeweken.
Indien aard en omvang van het onderzoek dit toestaan kan het
wederhoor zoals is vastgelegd in artikel 6 en 7 gelijktijdig
plaatsvinden, met inachtneming van een termijn van tenminste 4
weken.
Na vaststelling door de commissie worden het onderzoeksrapport en de
nota met conclusies en aanbevelingen inclusief de reactie van het
betrokken bestuursorgaan op het rapport zo spoedig mogelijk, onder
toezending van een afschrift aan het betrokken bestuursorgaan, het
college en betrokkenen, aan de raad aangeboden.
Na het uitbrengen van het rapport aan de raad, maakt de commissie de
resultaten met een persbericht openbaar en bepaalt zij welke
eventuele verdere perscontacten zij wenst over de resultaten.
Woordvoerder van de commissie is de voorzitter, tenzij de commissie
anders bepaalt.
De commissie brengt jaarlijks vóór 1 april verslag uit aan de raad
over haar werkzaamheden van het voorgaande jaar. In het verslag
rapporteert de commissie ten minste over:
stand van zaken onderzoeken
overige activiteiten van de commissie
de besteding van het budget, onderverdeeld zoals opgenomen
in artikel 17, tweede lid.