Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II

Artikel 10.

Wijzigen of intrekken vergunning

Onderdeel van Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Delft 2015

1.. Het college kan de vergunning inzake kabels en leidingen wijzigen of intrekken, indien: de aanvrager niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning met de werkzaamheden is begonnen; de vergunde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; de vergunninghouder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld; de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens; de vergunning in strijd met enig wettelijk voorschrift is afgegeven; de aanvrager het bepaalde bij of krachtens deze verordening, dan wel de vergunningvoorschriften niet naleeft; het van kracht blijven van de vergunning naar het oordeel van het college een onaanvaardbaar risico oplevert voor mens, natuur of milieu en dit risico door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen niet kan worden ingeperkt; dit naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig is vanwege de uitvoering van gemeentelijke werkzaamheden van openbaar belang en algemeen nut; de betreffende grond wordt verkocht. 2.. Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van de vergunning inzake kabels en leidingen, dan nadat het college de vergunninghouder heeft gehoord. 3.. Aan het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning inzake kabels en leidingen kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels en/of leidingen te verleggen/verplaatsen en/of deze te verwijderen.Aan het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning inzake kabels en leidingen kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels en/of leidingen te verleggen/verplaatsen en/of deze te verwijderen.

Rechtspraak bij dit artikel