Voor ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen bijstand wordt de hoogte van de maandelijkse aflossingsverplichting gedurende de eerste drie jaar van de betalingsregeling vastgesteld op het verschil tussen het netto inkomen en de hoogte van de belastingvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en 475d Rv.
Als drie jaar aan de onder lid 1 bedoelde aflossingsverplichting is voldaan wordt de maandelijkse aflossingsverplichting gesteld op 6% van de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm, vermeerderd met 50% van de inkomsten boven die norm.
In voorkomende gevallen kan de hoogte van de aflossingsverplichting individueel worden bepaald.
Als belanghebbende een inkomen heeft dat gelijk is aan de bijstandsnorm wordt het aflossingsbedrag berekend zoals dit in artikel 13, lid 3, 4 en 5 van deze beleidsregels is bepaald.
Als belanghebbende geen bijstand ontvangt en verzoekt om een aflossingsregeling kan hiermee worden ingestemd wanneer de vordering in 36 maanden afgelost kan zijn en het aflossingsbedrag minimaal € 50,00 per maand bedraagt.
Als de vordering niet in 36 maandelijkse termijnen kan zijn afgelost, wordt een onderzoek ingesteld naar de aflossingscapaciteit van de belanghebbende. Daarbij worden de financiële- en persoonlijke omstandigheden van belanghebbende in acht genomen.
Als belanghebbende niet meewerkt aan een onderzoek naar zijn draagkracht, wordt het aflossingsbedrag ambtshalve vastgesteld. Ook kan onder toepassing van artikel 60, lid 6 Participatiewet in dat geval direct beslag worden gelegd op het inkomen van de belanghebbende, waarbij de beslagvrije voet geheel komt te vervallen.
Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in het terugvorderingsbesluit, het besluit tot uitstel van betaling of dat met de belanghebbende op grond van een minnelijke regeling wordt overeengekomen, geldt als een opgelegde betalingsverplichting.
Hoofdstuk 4
Artikel 14
Vaststellen aflossingscapaciteit
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering H2O 2015 gemeente Oldebroek