De gedragingen bedoeld in artikel 20, tweede lid Ioaw en artikel 20, eerste lid Ioaz worden onderscheiden in de volgende categorieën:
1. Eerste categorie:
a. het niet, niet tijdig of onvoldoende nakomen van inlichtingen- en
medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13 Ioaw/Ioaz en artikel 30 c, tweede en derde lid Suwi en dit niet heeft geleid tot het te veel of ten onrechte verstrekken van uitkering;
b. het zich niet of niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
Uitvoeringsinstituut Werknemersvoorzieningen (UWV) of het niet of niet tijdig laten verlengen van de registratie.
2. Tweede categorie:
het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn nakomen van inlichtingen- en medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13 Ioaw/Ioaz en artikel 30 c, tweede en derde lid Suwi en dit heeft geleid tot het te veel of ten onrechte verstrekken van uitkering;
3. Derde categorie:
a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid in
dienstbetrekking te verkrijgen;
b. het nalaten van hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;
c. het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot het gebruik maken van geboden voorzieningen als bedoeld in artikel 37, eerste lid onderdeel e Ioaw/Ioaz en als bedoeld in artikel 10a WWB, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de geboden voorziening.
4. Vierde categorie:
a. het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot het gebruik maken van geboden voorzieningen als bedoeld in artikel 37, eerste lid onderdeel e Ioaw/Ioaz en als bedoeld in artikel 10a WWB, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de geboden voorziening;
b. het zich zeer ernstig misdragen tegenover een medewerker belast met de
uitvoering van de Ioaw/Ioaz.
Hoofdstuk 2
Artikel 10
Indeling in categorieën gedragingen Ioaw/Ioaz
Onderdeel van Afstemmingsverordening 2010