Lid 1
Twee keer per jaar houden de medewerker en de direct leidinggevende een functioneringsgesprek. In de gesprekken geven beiden hun visie op het functioneren en de ontwikkeling van de medewerker en bespreken zij de daaraan verbonden randvoorwaarden.
Lid 2
De functioneringsgesprekken zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen:
De taakuitoefening, de werkresultaten en ontwikkeling van de medewerker in de afgelopen periode;
Planning van werkzaamheden en maken of bijstellen van afspraken over resultaten voor de komende periode;
De ontwikkeling van de medewerker en het maken van ontwikkelafspraken voor de komende periode;
Loopbaan en levensfase van de medewerker;
Condities voor het functioneren.
Lid 3
De onderdelen I en V zijn verplicht. De andere onderdelen kan de leidinggevende toepassen, afhankelijk van de functie en taken van de medewerker, de situatie, de persoon en/of het functioneren van de medewerker.
Lid 4
De uitkomsten van beide functioneringsgesprekken vormen de basis voor de beoordeling als bedoeld in hoofdstuk 3.