Naar hoofdinhoud

afdeling 2

Artikel 3

Kapverbod

Onderdeel van Bomenverordening

Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen die: staan vermeld in het bestand WHM; staan vermeld in het bestand PWHM zijn geplant op grond van herplantplicht als bedoeld in artikel 9. Voor een op de WHM vermelde houtopstand, zoals vermeld in het eerste lid onder a, wordt in beginsel geen kapvergunning afgegeven, tenzij sprake is van: ernstige bedreiging van de openbare veiligheid; noodtoestand; andere uitzonderlijke situaties. De vergunning voor een houtopstand, deel uitmakend van een op de PWHM voorkomende houtopstand, zoals vermeld in het eerste lid onder b, kan worden geweigerd op grond van: de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: een houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet; het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; het periodiek knotten (het terugzetten van overjarig hout bij, als cultuurboom gekweekte knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen). Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is evenmin vereist voor een dode houtopstand, dit ter beoordeling van het bevoegd gezag. Dit voorgaande geldt eveneens voor het bepaalde in artikel 11 van deze verordening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel