Indien een houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld
in artikel 3 van deze verordening van toepassing is, zonder
vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere
wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk
gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan
wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van
voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te
herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen
binnen een door hen te stellen termijn.
Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
worden vervangen.
Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
artikel 3 van deze verordening van toepassing is in het
voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan
de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand
bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het
treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen
om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een
door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor
die bedreiging wordt weggenomen. Hieronder geldt tevens het
opleggen van beschermende maatregelen voor bomen op sloop- en/of
bouwlocaties.
Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste,
tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger,
is verplicht daaraan te voldoen.