Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 12

Bijzondere vergunningsvoorschriften

Onderdeel van Verordening op de beplantingen in Leiderdorp 2009

1.. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. De in het kader van deze herplantplicht te herplanten bomen dienen op een bij het vergunningsbesluit behorende tekening te worden aangegeven, onder vermelding van de plaats van de te herplanten, boom, de gewenste omvang en de soort boom. 2.. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan tot de aan een vergunning tot vellen te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat een op basis van taxatie vast te stellen geldelijke bijdrage gestort dient te worden in het gemeentelijk herplantfonds. 3.. De in dit artikel geldende verplichtingen en voorschriften kunnen gelden voor bomen kleiner dan de in artikel 1 genoemde minimum maat. 4.. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 5.. Tot aan de vergunning tot vellen te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken mag worden overgegaan nadat de daarop betrekking hebbende vergunningen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn. In een dergelijke situatie vangt de geldigheidsduur van de vergunning van één jaar aan op het moment dat zowel de kapvergunning als bedoeld in artikel 11, eerste lid, als de in de eerste volzin bedoelde besluiten onherroepelijk zijn geworden. 6.. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen aanwijzingen ter bescherming van nabijgelegen houtopstand behoren. 7.. In de vergunning tot vellen kan als voorschrift worden opgenomen dat de werking daarvan wordt opgeschort als de aanvraag is ingediend in samenhang met de realisatie van een ander vergunningsplichtig werk, zolang op die andere vergunningaanvraag niet is beslist. 8.. Aan de verleende vergunning wordt, onverminderd het bepaalde in het vijfde lid, het voorschrift verbonden dat van de vergunning slechts gebruik mag worden gemaakt na afloop van de bezwarentermijn, als bedoeld in artikel 6:7 en verder van de Algemene wet bestuursrecht. Deze termijn eindigt zes weken na de datum van bekendmaking van de vergunning aan de aanvrager. Indien tegen de vergunning een bezwaarschrift wordt ingediend, mag geen gebruik worden gemaakt van de vergunning, tot zes weken nadat de beslissing op bezwaar aan de indiener(s) van het bezwaarschrift bekend is gemaakt en gedurende deze termijn geen verzoek om voorlopige voorziening bij de rechtbank is ingediend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel