alleenstaande ouders.
3.1
De bijstandsnorm wordt verhoogd indien de alleenstaande, of de alleenstaande ouder, hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.
3.2
De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25 tweede lid van de wet genoemde maximumbedrag.
3.3
a.
Voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder die geen gezamenlijke
huishouding voert als bedoeld in artikel 1.5., maar lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft als gevolg van het kunnen delen van die kosten met een ander die in de woning zijn hoofdverblijf heeft, wordt de toeslag bepaald op 10% van het netto minimumloon.
b.
De noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld met een ander die in de woning zijn hoofdverblijf heeft, indien door die ander kan worden beschikt over een inkomen dat tenminste gelijk is aan of hoger dan 40% van het netto minimumloon.
c.
Voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder bedoeld onder a. wordt de toeslag bepaald op het in artikel 3.2 genoemde maximumbedrag indien de noodzakelijke kosten van het bestaan weliswaar kunnen worden gedeeld met een ander die in de woning zijn hoofdverblijf heeft, maar deze ander een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is en kan worden aangemerkt als een verzorgingsbehoevende als bedoeld in artikel 1.11 van deze verordening.
d.
Voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder bedoeld onder a. wordt de toeslag eveneens bepaald op het in artikel 3.2 genoemde maximumbedrag indien de noodzakelijke kosten van het bestaan weliswaar kunnen worden gedeeld met een ander die in de woning zijn hoofdverblijf heeft, maar deze ander een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is en de belanghebbende zelf kan worden aangemerkt als een verzorgingsbehoevende als bedoeld in artikel 1.11 van deze verordening.
e.
Indien de belanghebbende de woning bewoont met één of meer onderhuurders of kostgangers, vindt geen verlaging van de toeslag plaats, maar worden de daaruit voortvloeiende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen in aanmerking genomen.
ØHet bedoelde inkomen wordt, als het gaat om onderhuur, bepaald op 10% van het netto minimumloon per onderhuurder.
ØHet bedoelde inkomen wordt, als het gaat om het verstrekken van kost en inwoning, bepaald op 16% van het netto minimumloon per kostganger en nooit meer dan 25%.
ØHet bedoelde inkomen wordt, als het gaat om het verstrekken van kost en inwoning, bepaald op 16% van het netto minimumloon per kostganger en nooit meer dan 25%.
Artikel 3
Verhoging van de bijstandsnorm voor alleenstaanden en
Onderdeel van Verordening Wet werk en bijstand - toeslagen op en verlagingen van de bijstandsnorm