1.Het recht als bedoeld in artikel 2 is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, zo dit later is,
bij de aanvang van de belastingplicht.
2.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is het recht verschuldigd voor
zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na de aanvang van de
belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor
zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na het einde van de
belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4.Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente
verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt, waarvoor hetzelfde belastingbedrag
verschuldigd is.
5.Belastingaanslagen van minder dan € 9,- worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige
volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen aangemerkt als één
belastingaanslag.
Artikel 7
– Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
Onderdeel van nr 04.04 Verordening op de heffing en invordering van rioolafvoerrecht 2009