Op grond van artikel 4, lid 1 b. van de verordening, stelt het dagelijks bestuur per vergunninggebied het vergunningenplafond vast. Uit artikel 1 ee. van de verordening vloeit voort, dat dit ook geldt voor het deelvergunningenplafond per deelvergunninggebied.
Op grond van artikel 4, lid 3 van de verordening, wordt bij de vaststelling rekening gehouden met minimaal 10% noodzakelijke leegstand overdag per vergunninggebied.
De laatstgehouden integrale parkeertelling binnen het stadsdeel (2012) wijst uit dat bij de huidige hoogte van de vergunningenplafonds in geen enkel vergunninggebied de parkeerdruk overdag boven de 90% komt. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarde van 10% noodzakelijke leegstand, zoals genoemd in de verordening.
In twee vergunninggebieden en negen deelvergunninggebieden is het plafond op nul gesteld.
Op grond van de toelichting bij artikel 4, lid 3 van de verordening is het mogelijk om een (deel)vergunningenplafond op nul te stellen.
Binnen de (deel)vergunninggebieden met een plafond van nul worden geen parkeervergunningen verleend die onder het (deel)vergunningenplafond vallen: bewonersvergunningen, overloopvergunningen, bedrijfsvergunningen en volkstuinvergunningen (artikel 32, lid 2 van de verordening).
Andere vergunningsoorten, zoals de sportverenigingvergunning, de mantelzorgvergunning, de kraskaartvergunning en de bezoekersvergunning, kunnen binnen deze (deel)vergunninggebieden wèl worden verleend. Het parkeergedrag van de gebruikers van deze vergunningen komt overeen met dat van bezoekers.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 4.
(Deel)vergunningenplafonds.
Onderdeel van Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening Stadsdeel Oost 2014