Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 5.

Milieuparkeervergunningenplafond per (deel)vergunninggebied

Onderdeel van Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening Stadsdeel Oost 2014

Op grond van artikel 4, lid 1 c. van de verordening, stelt het dagelijks bestuur per vergunninggebied het milieuparkeervergunningenplafond vast. Uit artikel 1 ee. van de verordening vloeit voort, dat dit ook geldt voor het milieuparkeerdeelvergunningenplafond per deelvergunninggebied. In dit besluit is het (deel)milieuparkeervergunningenplafond geen vast, maar een dynamisch percentage, dat varieert overeenkomstig het aantal aanvragen voor een milieuparkeervergunning. In de praktijk krijgt het (deel)milieuparkeervergunningenplafond pas betekenis, indien er sprake is van een wachtlijst. Door te kiezen voor een dynamisch percentage snijdt het mes aan twee kanten: ·         enerzijds worden alle aanvragen voor een milieuparkeervergunning die aan de voorwaarden voldoen, altijd terstond gehonoreerd, en worden zij niet op een wachtlijst geplaatst; ·         anderzijds wordt voorkomen, dat - in geval van gebrek aan belangstelling voor milieuparkeervergunningen - een voor milieuparkeervergunningen gereserveerd gedeelte van het (deel)vergunningenplafond onbenut blijft, terwijl voor de andere vergunningen een wachtlijst ontstaat. De nu gekozen systematiek houdt in, dat in een (deel)vergunninggebied bij de eerste volledige aanvraag van een milieuparkeervergunning het milieuparkeer­vergunningenplafond op 1 (één) wordt gesteld. Bij de volgende aanvraag wordt dit twee, bij de daaropvolgende aanvraag drie, enzovoort. Als een milieuparkeer­vergunning wordt beëindigd (door opzegging, intrekking of anderszins) wordt het milieuparkeervergunningenplafond weer met één verlaagd. In dit besluit is geen maximum gesteld aan het aantal milieuparkeer­vergunningen binnen een (deel)vergunningengebied waarvoor deze systematiek geldt. In het geval het (deel)vergunningenplafond is bereikt, wordt door middel van een tijdelijke verhoging van dit plafond ervoor gezorgd dat de aangevraagde milieuparkeervergunning toch terstond kan worden verleend. Deze tijdelijke verhoging komt expliciet ten goede aan het milieuparkeer(deel)­vergunningen­plafond, opdat niet een aanvrager van een andere parkeervergunning met een eerdere aanvraagdatum op de wachtlijst voorrang krijgt op de aanvrager van de milieuparkeervergunning. Na het verlenen van de milieuparkeervergunning wordt het (deel)vergunningen­plafond terstond weer met één verlaagd tot het oorspronkelijke niveau. Het door het verlenen van de milieuparkeer­vergunning bereikte niveau van het milieuparkeer(deel)vergunningen­plafond blijft echter in stand, zodat de ruimte voor de “overige” parkeer­vergunningen, niet zijnde milieu­parkeervergunningen, met één wordt verminderd. Bij de eerstvolgende beëindiging van een parkeervergunning wordt dan feitelijk het oorspronkelijke niveau van het (deel)vergunningenplafond weer bereikt, en pas bij de tweede beëindiging van een parkeervergunning kan een nieuwe parkeervergunning, niet zijnde een milieuparkeervergunning,  worden verleend aan de eerste op de wachtlijst. Lid 5. Deze invulling van het milieuparkeer(deel)vergunningenplafond is niet van toepassing op (deel)vergunninggebieden met een plafond van nul. Het is niet de bedoeling, dat in deze gebieden, via een tijdelijke verhoging van het (deel)vergunningenplafond van nul naar één, milieuparkeervergunningen voor bewoners of bedrijven worden verleend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel