3.1.1 Het bestuursorgaan kan ook overgaan tot een Bibobtoets, als

  • - vanuit eigen gemeentelijke informatie en/of
  • - vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het RIEC en/of
  • - vanuit het Openbaar Ministerie verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van

de Wet Bibob (OM-tip),

er duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat bij de aanvraag sprake

is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob voor:

  • - de aanvraag die betrekking heeft op de risicocategorieën en gevallen als bedoeld in

    artikel 2.1 sub 1 en 2;

  • - andere aanvragen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de

gemeente Bernheze niet behorend tot de risicocategorieën en gevallen als bedoeld in

artikel 2.1 sub 1 en 2;

  • - de aanvraag om een subsidiebeschikking op grond van de Algemene Subsidie-

    verordening Bernheze;

  • - de aanvraag als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, aanhef onder a van de Wet algemene

    bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een

    omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen”, niet behorend tot de risicocategorieën

    en gevallen als bedoeld in artikel 2.1 sub 1 en 2;

  • - de aanvraag als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, aanhef onder e en onder i van de Wet

    algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor zover dat onderdeel betrekking

    heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van die wet (omgevings-

    vergunning inrichtingen Wet milieubeheer en omgevingsvergunning beperkte milieu-

    toets (OBM)), niet behorend tot de risicocategorieën en gevallen als bedoeld in artikel 2.1

    sub 1 en 2.

3.1.2 Een Bibobtoets vindt plaats als bij navraag door het bestuursorgaan bij het Bureau Bibob

blijkt, dat tegen de aanvrager van een beschikking in de twee jaar voorafgaande aan de

datum van indiening van een aanvraag een negatief advies is uitgebracht of een

adviesaanvraag in behandeling is genomen bij dit bureau.

3.1.3Een Bibobtoets kan plaatsvinden indien aan de aanvrager in de vijf jaar voorafgaande aan de

3.1.3 datum van indiening van een aanvraag een handhavingsbeschikking is opgelegd.