Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 3.

Wettelijke kaders

Onderdeel van TREASURYSTATUUT VOOR DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING STROOMOOPWAARTS MVS

De wettelijke kaders voor treasury worden grotendeels bepaald door nationale regelgeving. Ook Europese regelgeving kan van toepassing zijn. De Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) en de daarbij behorende ministeriële regelingen vormen de relevante kaders voor de uitoefening van de treasury van onder andere gemeenschappelijke regelingen. De relevante ministeriële regelingen zijn: Voor het uitzetten en/of verstrekken van financiële middelen: De regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (RUDDO) Het besluit leningsvoorwaarden decentrale overheden (BLDO) Voor het aantrekken van financiële middelen: De uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden (UFDO) Het besluit leningsvoorwaarden decentrale overheden (BLDO) Om beter kunnen voldoen aan de door Europa gestelde begrotingsdiscipline is sinds 15 december 2013 een daartoe strekkende wijziging van de wet financiering decentrale overheden (fido) van kracht. Hiermee worden alle decentrale overheden verplicht om alle geldmiddelen die zij niet onmiddellijk nodig hebben voor de publieke taak aan te houden in ’s Rijks schatkist. Dat is van invloed op de treasuryfunctie en – opbrengsten van decentrale overheden. De wijze waarop Stroomopwaarts MVS hiermee omgaat, is verwerkt in dit treasurystatuut. Artikel 212 van de Gemeentewet verplicht Stroomopwaarts MVS om een financiële verordening te hebben. Daarin worden de financiële beleidskaders vastgelegd en vastgesteld door het algemeen bestuur. Een uitwerking van deze kaders is, conform artikel 12 van de Financiële verordening Stroomopwaarts MVS 2015, uitgewerkt in dit statuut. Tenslotte moeten bij het uitzetten of verstrekken van financiële middelen ook rekening worden gehouden met de staatssteunregels uit het EU-Verdrag. Voor een correcte naleving daarvan is Stroomopwaarts MVS zelf verantwoordelijk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel