**5.1.** De medewerker die –anders dan door ziekte- buiten zijn toedoen niet meer wordt belast met het verrichten van piketdienst en wiens bruto bezoldiging een blijvende verlaging ondergaat van tenminste 15% wordt een aflopende vergoeding toegekend, voor zover de medewerker gedurende tenminste vijf jaar zonder wezenlijke onderbreking met het verrichten van piketdienst belast is geweest.
**5.2.** De berekeningsbasis voor de aflopende vergoeding als bedoeld in lid 5.1 wordt vastgesteld op het bedrag dat de medewerker over twaalf kalendermaanden –voorafgaand aan de maand waarin hij niet meer is belast met het verrichten van piketdienst- gemiddeld per maand aan vergoeding heeft genoten, aangepast aan de algemene salarisontwikkelingen bij de sector gemeenten.
**5.3.** De uitkeringsperiode voor de aflopende vergoeding is gelijk aan het naar boven op een maand afgeronde ¼ gedeelte van de tijd dat de medewerker belast is geweest met het verrichten van piketdienst. Aan de uitkeringsperiode voor de aflopende vergoeding is een maximum verbonden van drie jaar.
**5.4.** De hoogte van de aflopende vergoeding wordt bepaald door de uitkeringsperiode in drie gelijke delen te splitsen, waarbij –te beginnen met het eerste deel- afronding naar boven plaatsvindt op een hele maand, met dien verstande dat de maximumduur van de uitkeringsperiode niet wordt overschreden. Gedurende de drie deelperioden bedraagt de aflopende vergoeding achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de berekeningsbasis.
Artikel 5
Aflopende vergoeding
Onderdeel van Vergoedingsregeling piketdienst buitendienstpersoneel 2008