Van het haven- en liggeld zijn vrijgesteld:

  • - vaartuigen, welke uitsluitend een haven passeren;
  • - hospitaalschepen, als bedoeld bij de wet van 30 december 1905, Stb. 383;
  • - vaartuigen, in directe dienst van de gemeente en het rijk, alsmede vaartuigen in gebruik bij de uitvoering van gemeente- en rijkswerken;
  • - vaartuigen, als bedoeld in artikel 2 onder a en b, welke tengevolge van ijsgang of andere weersomstandigheden gedwongen zijn langer dan veertien dagen te blijven liggen;
  • - vaartuigen, als bedoeld in artikel 2 onder a, welke uitsluitend een haven binnenkomen om voor reparatie of onderhoud een scheepswerf te bezoeken;
  • - de bij de in dit artikel bedoelde vaartuigen behorende roeiboten.