De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt
geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat direct
of indirect vanuit het belastingobject via de riolering
wordt afgevoerd.
Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het
aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin
van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het
belastingobject is toegevoerd of is opgepompt.
Indien er sprake is van een onroerende zaak als bedoeld in
artikel 1, onderdeel c, ten derde wordt het aantal kubieke
meters afvalwater evenredig toegedeeld.
Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode
van twaalf maanden wordt de hoeveelheid water door
herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding
wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle
maand gerekend.
Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet
die pompinstallatie zijn voorzien van:
een watermeter waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan
worden afgelezen, of
een bedrijfsurenteller waarvan het aantal uren dat een
pompinstallatie met een vaste capaciteit in bedrijf is
geweest, kan worden afgelezen. De vorige volzin is niet van
toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt
water geschiedt op grond van enige andere wettelijke
bepaling.
De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid
toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de
hoeveelheid water die niet als afvalwater via de
gemeentelijke riolering is afgevoerd.
Artikel 4.
Maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van de rioolheffing 2016