Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.2

Afwijken van de Parkeereis I : Op andere wijze

Onderdeel van BELEIDSREGELS PARKEREN BESTEMMINGSPLANNEN DEVENTER (versie 2015)

Beleidsregel 2.1. Algemene beleidsregel bij afwijking a.Afwijken van het uitgangspunt dat geparkeerd moet worden op eigen terrein (beleidsregel 1.1.) is mogelijk: 1.voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien; 2.indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit voor zover er op een andere wijze in de (toename van) de parkeerbehoefte wordt voorzien, b.Afwijken van de plicht om op eigen terrein te voorzien is in beginsel pas aan de orde indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders: 1.redelijkerwijs fysiek onmogelijk of uit stedenbouwkundig, esthetisch, historisch, monumentaal of verkeersveiligheidsoogpunt niet aanvaardbaar is om op eigen terrein in de nodige parkeer- of stallingruimte; 2.het woon- en leefmilieu van de (woon)omgeving niet onevenredig door aantrekking van verkeer wordt aangetast; 3.de verkeersveiligheid en de vrijheid van het verkeer niet onevenredig worden aangetast; 4.de ruimtelijke structuur van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast. Afgezien van het centrumgebied is het uitgangspunt dat de behoefte op eigen terrein wordt opgevangen maar als er goede redenen zijn om niet op het eigen terrein (extra) parkeergelegenheid aan te leggen dan bestaan er nog andere mogelijkheden om vergunning te verlenen, namelijk als er op een andere wijze in de (toename van) de parkeerbehoefte wordt voorzien, of als sprake is van bijzondere omstandigheden. Afwijken van de plicht om op eigen terrein te voorzien is in beginsel pas aan de orde indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders redelijkerwijs fysiek onmogelijk of uit stedenbouwkundig, esthetisch, historisch, monumentaal of verkeersveiligheidsoogpunt niet aanvaardbaar is om op eigen terrein in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte te voorzien. Kortom: “Op eigen terrein ,tenzij…”. Over de vraag of op ‘andere wijze in de nodige parkeerruimte is voorzien’, heeft de bestuursrechter zich meerdere malen gebogen. De Raad van State oordeelt dat een redelijke uitleg hiervan met zich meebrengt dat voldoende aannemelijk moet zijn dat de benodigde parkeerplaatsen uiterlijk ten tijde van de ingebruikneming van het bouwwerk beschikbaar zullen zijn. Daartoe kan een voorwaarde aan de verlening van de vergunning worden verbonden, waarin is bepaald dat ten minste het benodigd aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd, althans beschikbaar is. Voor de verlening van een omgevingsvergunning is exclusief gebruik van de parkeerplaatsen, die niet op eigen terrein zijn gelegen, niet noodzakelijk (Sterker: exclusief gebruik is in principe minder gewenst omdat die parkeerruimte minder efficiënt is). Reeds aanwezige parkeerplaatsen in het openbare gebied kunnen immers ook bij deze beoordeling worden betrokken, zolang maar aannemelijk is dat de aanwezige parkeergelegenheid voldoende is om de parkeervraag die het bouwplan meebrengt op te kunnen vangen. Dat kan bijvoorbeeld worden aangetoond door middel van een parkeeronderzoek of parkeertelling waaruit volgt dat de (gemiddelde) beschikbaarheid van de aanwezige parkeerplaatsen toereikend is. Er bestaan verschillende mogelijkheden om “op andere wijze” aan de parkeerverplichting te voldoen, zoals Concrete aanleg in de openbare ruimte in directe omgeving Huur private parkeerruimte buiten bouwterrein [5.] Aankoop private parkeerruimte buiten bouwterrein [6.] Abonnement parkeergarage (huur van (semi) openbare parkeerruimte) Parkeerbijdrage Exploitatiebijdrage [5] Hieronder wordt ook begrepen de aanleg van private parkeerruimte op een gehuurd terrein buiten het bouwperceel [6] Hieronder wordt ook begrepen de aanleg van private parkeerruimte op een aangekocht terrein buiten het bouwperceel

Rechtspraak bij dit artikel