Uitgangspunt is en blijft dat aan ieder bouwinitiatief[13.] waarbij de parkeerbehoefte toeneemt op de een of andere wijze de verplichting kleeft om voor een parkeeroplossing zorg te dragen, hetzij door op in of onder het bouwterrein parkeervoorzieningen aan te leggen, hetzij elders, hetzij door het storten van een financiële bijdrage in de kosten van openbaar blijvende parkeervoorzieningen.
Voor het centrumgebied geldt primair deze laatste optie (betaling bijdrage).
Er kunnen zich evenwel bijzondere omstandigheden voordoen, waarbij het voldoen aan de parkeerverplichting op overwegende bezwaren stuit.
Ofschoon wel steeds het doel van de parkeerbepaling “het voorkomen van een onaanvaardbare hinder (parkeeroverlast) voor de directe omgeving” voor ogen dienen te worden gehouden, kan op grond van sub b geheel aan de parkeerverplichting worden voorbijgegaan.
De Raad van State[14.] stelt in beginsel strenge eisen: “Dat realisering van een ondergrondse parkeergarage gepaard gaat met zodanige substantiële meerkosten, dat het doel van de nieuwbouw (jongerenhuisvesting) in gevaar komt is niet als een zodanige bijzondere omstandigheid aan te merken!.”
Van de onvoorwaardelijke afwijkingsmogelijkheid (sub b) –zonder parkeerbijdrage of vervangende verplichting tot parkeerruimte-aanleg - dient in beginsel dan ook een spaarzaam gebruik te worden gemaakt.
Toch leent deze bepaling zich er voor om een via een beleidsregel categorieën van gevallen aan te wijzen welke voor deze bijzondere afwijkingsmogelijkheid in aanmerking komen.
[13.] Functiewijzigingen zonder noodzakelijke verbouw, waarvoor van het bestemmingsplan moet worden afgeweken, inbegrepen
[14.] (RVS 15-01-05, 200404186/1 Amersfoort)
Hoofdstuk 4
Artikel 4.4
Parkeereis en bijzondere omstandigheden
Onderdeel van BELEIDSREGELS PARKEREN BESTEMMINGSPLANNEN DEVENTER (versie 2015)