Naar hoofdinhoud

§ 2

Artikel 2:4

Bereidverklaring tot het aanvangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal.

Onderdeel van Beleidsregel taaleis Den Haag 2016

1.. Indien voor het college uit de uitkomst van de taaltoets het redelijk vermoeden blijkt dat de bijstandsgerechtigde de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst, en er geen sprake is van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, verzoekt het college de bijstandsgerechtigde om zich binnen één kalendermaand na de kennisgeving als bedoeld in artikel 2:3 bereid te verklaren om aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal. 2.. Het college legt de bereidverklaring als bedoeld in het eerste lid, schriftelijk vast tijdens een contactmoment in het kader van de arbeidsinschakeling (als bedoeld in artikel 17 tweede lid Participatiewet), dat plaatsvindt binnen twaalf weken na uitkomst van de taaltoets. Tijdens dit contactmoment geeft het college aan de bijstandsgerechtigde aan op welke wijze hij de vaardigheden in de Nederlandse taal moet verwerven. 3.. Indien de bijstandsgerechtigde zich niet binnen één kalendermaand na de kennisgeving als bedoeld in artikel 2:3 bereid verklaart om aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal, legt het college hem een maatregel op als bedoeld in artikel 18 b negende lid Participatiewet en hoofdstuk 3a van de Verordening maatregelen, fraude en boete inkomensvoorzieningen Den Haag 2016. 4.. Indien de bijstandsgerechtigde, die zich conform eerste lid bereid heeft verklaard aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal, in een volgend contactmoment niet kan aantonen dat hij hiertoe voldoende inspanningen heeft verricht, legt het college hem een maatregel op als bedoeld in artikel 18 vierde lid onder f of g en hoofdstuk 2 van de Verordening maatregelen, fraude en boete inkomensvoorzieningen Den Haag 2016.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel