In deze verordening wordt verstaan onder:

  • - vaartuigen: alle soorten van drijvende lichamen, welke wegens hun drijfvermogen worden gebezigd dan wel bestemd of geschikt zijn voor het vervoer te water van personen en/of goederen, drijvende werktuigen zoals een werkvlot, ponton, elevator, drijvende kraan, sleep- of duwboot, bok, zandzuiger, baggermolen e.d., alsmede balken, stammen, palen, vlotten e.d. die in het water worden vervoerd;
  • - meren: het vastmaken van vaartuigen aan de daartoe bestemde middelen, onverschillig of die middelen eigendom van de gemeente of derden zijn, of aan vaartuigen welke aan zodanige middelen zijn vast gemaakt;
  • - gemeentewater: vaarwater, dat aan de gemeente in eigendom toebehoort alsmede vaarwater, dat bij de gemeente in onderhoud is of waarover de gemeente het beheer heeft;
  • - havenmeester: de als zodanig door burgemeester en wethouders aangestelde ambtenaar of diens vervanger;
  • - vrachtschepen: vaartuigen, uitsluitend of in hoofdzaak, gebezigd voor het vervoer anders dan van personen, welke conform de Rijksverkeersinspectie daartoe een vergunning hebben;
  • - passagiers- en charterschepen: alle vaartuigen, die een openbaar middel van vervoer zijn, of dit niet zijnde, uitsluitend of in hoofdzaak worden gebezigd voor het vervoer van personen tegen betaling;
  • - andere vaartuigen: vaartuigen niet vallende onder e. en f.;
  • - zomerseizoen: de periode van 1 mei tot en met 30 september;
  • - winterseizoen: de periode van 1 oktober tot en met 30 april.