Naar hoofdinhoud
1.. In deze verordening wordt verstaan onder: Eigenaar: de eigenaar in de zin van artikel 1, de erfpachter ingevolge hoofdstuk 7 en de appartementseigenaar ingevolge titel 9 van Boek 5 van het Burgerlijk Flat- of portiekwoning: woonruimte gelegen in een woongebouw waarbij de toegang vanaf de openbare weg gedeeld wordt met andere in dat woongebouw gelegen woonruimten; gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; Huishouden: een alleenstaande dan wel twee of meer personen die, naar genoegen van burgemeester en wethouders, hebben aangetoond een duurzame gemeenschappelijke huishouding te voeren; kamergewijze bewoning: het bewonen van onzelfstandige woonruimte; kantoor aan huis: het gebruik van een ondergeschikt deel van woonruimte als kantoor door de in de woonruimte woonachtige eigenaar; onttrekken: het onttrekken van woonruimte als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de wet; omzetten van woonruimte: het omzetten van woonruimte als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder c, van de wet; onzelfstandige woonruimte: bewoonde of kennelijk voor bewoning geschikte of bedoelde ruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte; praktijkruimte aan huis: het gebruik van een ondergeschikt deel van woonruimte als praktijkruimte door de in de woonruimte woonachtige eigenaar; splitsen: het splitsen van woonruimte als bedoeld in artikel 22 lid 1 van de wet en het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten als bedoeld in artikel 22 lid 2 van de wet; verordening: de Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2016 wet: de Huisvestingswet 2014; woningvorming: het verbouwen van een woonruimte tot twee of meer woonruimten zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder d, van de wet; WOZ-waarde: de voor het kalenderjaar 2015 geldende, op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde, waarde. 2.. Met een huishouden als bedoeld in het vorige lid, aanhef en onder d, wordt gelijkgesteld: Een groep van ten hoogste drie vergunninghouders als bedoeld in artikel 1 lid 1, aanhef en onder g, van de wet die geen gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren, maar gelet op de in artikel 28 van de wet genoemde taakstelling door burgemeester en wethouders gehuisvest worden of zijn in één woning.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel