1. Gedeputeerde Staten beslissen omtrent geschillen over de toepassing,
in de ruimste zin des woords, van deze regeling tussen besturen van
deelnemers of tussen besturen van een of meer deelnemers en het bestuur
van het openbaar lichaam, voor zover die geschillen niet behoren tot die
zoals vermeld in artikel 112, eerste lid van de Grondwet of tot die
waarvan de beslissing krachtens artikel 112, tweede lid van de Grondwet is opgedragen aan hetzij de rechterlijke macht,
hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. Het
bepaalde in artikel 28, tweede en derde lid van de Wet
gemeenschappelijke regelingen is van overeenkomstige toepassing.
2. Alvorens een beslissing zoals bedoeld in het eerste lid te nemen,
legt het Algemeen Bestuur een dergelijk geschil om advies voor aan een
door het Algemeen Bestuur in te stellen geschillencommissie, zulks met
inachtneming van het bepaalde in lid 3 en 4. Het Algemeen Bestuur kan
regels stellen voor het functioneren van de geschillencommissie.
3. De geschillencommissie hoort de bij dat geschil betrokken besturen en
brengt advies uit aan de bij dat geschil betrokken besturen over de
mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen. Een afschrift van
dit advies wordt toegezonden aan het Algemeen Bestuur.
4. Indien, nadat het advies van de geschillencommissie is uitgebracht,
de bij het geschil betrokken besturen alsnog niet blijken tot
overeenstemming te komen, wordt het advies van de geschillencommissie
toegezonden aan Gedeputeerde Staten.