Naar hoofdinhoud

Paragraaf 4

Artikel 4.6.3

Afwegingskader

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk 2016

De inhoud van het resultaat ‘het kunnen verrichten van de dagelijkse noodzakelijke activiteiten’ bestaat uit activiteiten gericht op het verplaatsen en bewegen, het aanbrengen van structuur en regie en het oefenen op de beperking te verminderen en om zelfredzaam te worden. Daarbij moet steeds worden nagegaan of de noodzakelijke activiteiten onder de Zvw, Wlz, Jeugdwet of de Wmo 2015 valt. Allereerst beoordeelt het college of de noodzakelijke ondersteuning op het terrein van de Wmo 2015 ligt. Uitgangspunt is dat alle noodzakelijke activiteiten die onder de Zvw, Wlz of Jeugdwet vallen niet onder het Wmo 2015 resultaat kunnen vallen. Als de belanghebbende een Zvw-indicatie heeft, onderzoekt het college de inhoud daarvan. Heeft de belanghebbende een indicatie voor de Wlz, dan valt hij niet meer onder de Wmo 2015. Een combinatie van een individuele voorziening uit de Jeugdwet en uit de Wmo 2015 is wel mogelijk, bijvoorbeeld een woningaanpassing uit de Wmo en een voorziening begeleiding uit de Jeugdwet. Als uit onderzoek bijvoorbeeld blijkt dat bepaalde noodzakelijke activiteiten nog door belanghebbende kunnen worden aangeleerd en is dit niet geïndiceerd, dan zal het college daarvoor nog een Zvw-indicatie behandeling aanvragen of belanghebbende verwijzen naar zijn zorgverzekeraar. Het resultaat valt dan niet onder de Wmo 2015. Daarna beoordeelt het college in hoeverre een belanghebbende in staat is op eigen kracht het resultaat te bereiken. Het kan zijn dat huisgenoten kunnen helpen op grond van de ‘gebruikelijke zorg’. Zo is bijvoorbeeld het bijhouden van de administratie een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid in een huishouden. Kan één van de huisgenoten dit niet meer doen dan zullen eerst de andere huisgenoten dit over moeten nemen. Pas als ook zij dat niet kunnen, kan de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening ontstaan. Verder beoordeelt het college of het steunsysteem van belanghebbende of een vrijwilliger kan helpen, of dat er algemene voorzieningen zijn die een bijdrage kunnen leveren aan het bereiken van het resultaat. Het college houdt rekening met de draagkracht van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigen de overbelasting van de mantelzorger een maatwerkvoorziening aan de verzorgde belanghebbende worden toegekend. Als het voorafgaande niet geleid heeft tot het bereiken van het resultaat zal het college een maatwerkvoorziening moeten toekennen. Vervolgens bepaalt het college wat noodzakelijk is om belanghebbende in staat te stellen de dagelijks noodzakelijke activiteiten te (laten) verrichten. Het gaat daarbij om een selectie uit de hierboven genoemde groepen activiteiten. Stimuleren en toezicht (basis); Helpen bij (middel); Overnemen regie (zwaar). Hierbij bepaalt het college tevens de omvang van de noodzakelijke maatwerkvoorziening. Bij het bepalen van de omvang neemt het college de normtijden zoals vastgelegd in ‘tabel gemiddelde tijden begeleiding’ als uitgangspunt. Per activiteit bepaalt het college de omvang. Het totaal aantal noodzakelijke uren ondersteuning wordt bepaald door de normtijden van de verschillende activiteiten bij elkaar op te tellen. Deze normuren zijn afkomstig uit de CIZ indicatiewijzer. Op basis van individueel maatwerk kan het college afwijken van deze normtijden.

Rechtspraak bij dit artikel