Naar hoofdinhoud
1.. Het college kan aan de persoon als bedoeld in artikel 11.1 eerste lid van de Verordening een tegemoetkoming in de meerkosten op aanvraag verlenen voor: de verhuis- en herinrichtingskosten die het gevolg zijn van een verhuizing als bedoeld in artikel 8.3 van de Verordening; de kosten in verband met het zich verplaatsen in de leefomgeving met een eigen auto, een rolstoeltaxi of individueel taxivervoer als bedoeld in hoofdstuk 8 van de Verordening welke noodzakelijk zijn in verband met de zelfredzaamheid en participatie. 2.. De persoon als bedoeld in artikel 11.1 eerste lid van de Verordening wordt geacht andere aannemelijke kosten te hebben als bedoeld in artikel 11.1 tweede lid onderdeel e van de Verordening als diegene: in het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft een maatwerkvoorziening ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; zorg ontvangt op grond van de Wet langdurige zorg, anders dan intramuraal verblijf in een instelling; [vervallen] een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid; een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid tot de maand waarin zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikten; een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ en om dringende redenen gedurende ten minste 6 maanden per kalenderjaar van de arbeidsverplichtingen is ontheven; of de beschikking heeft over een gehandicaptenparkeerkaart. 3.. Het college verstrekt aan de persoon bedoeld in het tweede lid op aanvraag een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie mits het jaarinkomen van de persoon niet hoger is dan 110% van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm. 4.. De aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in het derde lid moet worden ingediend in het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel