Wanneer belanghebbende voor de ingangsdatum van de Wet taaleis begonnen is met een taalplanin het kader van de Wet educatie en dit traject loopt nog, kan dit aangemerkt worden als‘voldoende inspanning’ van de kant van belanghebbende, zoals bedoeld is in de Wet taaleis.
Toelichtingalgemeen
De Eerste Kamer heeft op 17 maart 2015 ingestemd met het wetsvoorstel ‘Wet taaleis WWB’(hierna: Wet taaleis). Dit wetsvoorstel is een uitvloeisel van een aantal afspraken uit hetregeerakkoord “Bruggen slaan”.
Het niet voldoende beheersen van de Nederlandse taal is nadrukkelijk géén uitsluitingsgrond oftoegangsvoorwaarde voor bijstand. De taaleis is alleen van toepassing, als er recht op bijstandbestaat en heeft betrekking op alle bijstandsgerechtigden met een arbeidsverplichting. De taaleislegt een inspanningsverplichting op aan belanghebbende. Voldoende is, dat de belanghebbendezich inspant om de Nederlandse taal voldoende machtig te worden. Doel van dieinspanningsverplichting is om de volgende vaardigheden in de Nederlandse taal opreferentieniveau 1F te verwerven:
•Spreekvaardigheid;
•Luistervaardigheid;
•Gespreksvaardigheid;
•Schrijfvaardigheid;
•Leesvaardigheid.
Met de Wet taaleis krijgt de gemeente de verplichting om van bijstandsgerechtigden te verlangendat zij actief werken aan hun taalvaardigheid. Zonder Nederlands te begrijpen en te spreken is het
immers veel moeilijker om aan het werk te komen en daarmee uit de bijstand te komen. Bovendiendraagt kennis van de taal bij aan maatschappelijke participatie.
De Participatiewet kent een brede arbeids- en re-integratieverplichting. Gezien het belang van debeheersing van de Nederlandse taal voor arbeidsinschakeling is ervoor gekozen om deParticipatiewet uit te breiden met een taaleis. In artikel 18b is de inlichtingenplicht uitgebreid metde verplichting om aan te tonen dat de aanvrager de Nederlandse taal beheerst.